maan, aan de aarde en het vuur en het water en de winden. Aan dezen alleen offeren zij van oudsher, doch zij hebben bovendien nog geleerd aan Urania[1] te offeren, en van de Assyriërs leerden zij dit en van de Arabieren. De Assyriërs noemen Aphrodite Mylitta, de Arabieren Alilat, de Perzen Mitra.
132. De offering voor de gezegde goden geschiedt bij de Perzen op de volgende wijze. Altaren richten zij niet op, noch ontsteken zij vuur als zij offeren willen. Zij hebben er geen plenging bij, noch fluitspel, noch banden, noch gerooste gerst. Als iemand aan een van de goden wil offeren, voert hij het vee naar een reine plaats en roept den god aan, den tiara gewoonlijk omkransd met mirtetakken. En als hij dan offert, is het hem niet geoorloofd voor zich alleen goeds af te smeeken, doch voor alle Perzen bidt hij om voorspoed en voor den koning, want onder al die Perzen is hij zelf ook begrepen. Daarna snijdt hij het offerdier in stukken en kookt het vleesch, en dan spreidt hij er het meest frissche gras onder, en vooral klaverblad, en legt daarop dan het vleesch neder. Heeft hij alles goed ingericht, dan treedt een Magiër naderbij en zingt de godenwording, zooals zij dan dit gezang noemen, want het is bij hen geen zede zonder Magiër een offering te verrichten. Na korten tijd draagt de offeraar het vleesch weg, en gebruikt het, zooals hij lust heeft.
133. Van alle dagen pleegt ieder het meest dien te eeren, waarop hij geboren werd. Op dien dag vinden zij het betamelijk een rijker maal dan anders op te disschen. De rijken onder hen laten een os, een paard, een kameel of een ezel geheel braden in den haard en opdisschen; de armen daarentegen disschen klein vee op. Ze hebben
- ↑ Bijnaam van Aphrodite.