de Achaeërs, die de Ioniërs verdreven, twaalf afdeelingen zijn: vooreerst Pellene in de richting van Sicyon, dan Aegira en Aegae, waar de nimmer drooge rivier de Crathis is, naar welke ook die rivier in Italië zijn naam ontving, en Bura en Helice, waarheen de Ioniërs vluchtten toen zij door de Achaeërs in den strijd overwonnen waren, en Aegion en Rupes en Patreës en Phareës en Olenus, waar de groote rivier Pirus is, en Dyme en Tritaeës, die de eenigen van allen in het binnenland liggen.
146. Deze twaalf afdeelingen zijn er nu van de Achaeërs en waren er toen van de Ioniërs. Daarom dan stichtten ook de Ioniërs twaalf steden, daar het toch groote dwaasheid is te zeggen, dat zij meer Ioniërs zijn dan de andere Ioniërs of van edeler geslacht, terwijl niet het geringste deel van hen Abanten zijn uit Euboea, die niet eenmaal in naam iets met Ionië gemeen hebben, en Minyers uit Orchomenus met hen vermengd zijn en Cadmeërs en Dryopen en uitgeweken Phociërs en Molossiërs en arcadische Pelasgen en dorische Epidauriërs, en vele andere volken met hen vermengd zijn; en die onder hen van het prytaneum in Athene uitgingen en zich voor de edelste Ioniërs houden, dezen brachten geen vrouwen mede voor de nederzetting, maar namen Carische vrouwen, wier ouders zij gedood hadden. Om dezen moord legden de vrouwen zichzelven de wet en een eed op, en leverden die aan haar dochters over, dat zij nooit met hun mannen zouden eten noch hun man bij den naam noemen, dáárom, wijl zij hun vaders en mannen en zonen vermoord hadden en na die daad toch met hen samen waren gaan wonen. Dat geschiedde in Miletus.
147. Sommigen van hen kozen zich Lyciërs tot koningen, die van Glaucus. Hippolochus' zoon afstamden;