Pagina:Het Esperanto.pdf/11

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 11 —

willen doen kennen, wiens oprichter de Rus Zamenhof en wiens verspreiders, in Frankrijk, M. L. de Beaufront en in België, Kapitein Ch. Lemaire. Zal er gezegd worden dat al die geleerden niet wisten wat zij wilden? Maar, wanneer de algemeene taal zulke baanbrekers telt, het zou toch een weinig vermetel en roekeloos zijn van op te komen tegen hetgeen zij beweerden.

Het staat dus vast en zeker dat de algemeene taal niets zal verminderen, noch afbreken—integendeel, het eenige dat zij wil is van een middel te zijn om de wederlandsche betrekkingen tusschen de volkeren te vergemakkelijken.


* * *


Dat eens verstaan zijnde, komen wij op onze vraag terug: Hoedanig moet de algmeene taal zijn?

Bij het eerste gedacht, zouden eenvoudige en argelooze zielen, kunnen meenen dat het genoeg ware eene van onze levende talen te gebruiken.

Het ware genoeg—zullen zij zeggen—dat de volkeren malkander verstaan.

Maar hoe is het mogelijk te kunnen denken dat de verschillende volkeren zouden overeenkomen op een punt, dat hun zoo lichtelijk beleedigt en zooveel tegenzin doet ontstaan? Hoe is 't mogelijk zoo eenvoudig te zijn van te meenen, dat er een volk kan gevonden worden, dat aan zijnen mededinger, misschien eenen vijand, de macht in handen zou geven van meester der wereld te worden? Want indien zijne taal overal gesproken werd, lang zou