Pagina:Het Swervende Portret.pdf/12

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen


2 HET SWERVENDE PORTRET.

Die Oom is ook zo hard als stien,
En ik en kan hem schier niet zien,
Of ik moet met de Jongman schreyen,
Ik mag hem zeker zo wel leyen,
Dat gaat 'er dan zo voort na toe.
Ik ben dat loopen schier al moe.
 In 't weggaan laat hy de Brief vallen.

T W E E D E T O O N E E L

F R E D E R I K, J O O R I S.

WEl Joris hebt g'al eens vernoomen
Of Vader, weer is t'Huys, gekoomen?

J O O R I S

Neen Heer, ik weet nog nergens van,
Jy waard wis een verlooren man,
Zo dat zo was: neen onze Steintje
Zou 't schryven: maar ik ben geen kleintje
Verwonderd Heer, dat Jy Margreet,
Zo schielyk, enzo gaauw vergeet,
Jou hert behoord na haar te trekken,
Hoe Heer, je schynd'er me te Gekken,
Vergeet je haar dan heel en al?
Heb j'er niet Lief meer?

F R E D E R I K.

Word je mal, Neen Joris, 'k had nooit in myn zinnen
Om dat Postuurtje te beminnen.
Og praat me daar tog niet meer van,
Ik schuuw haar nog zo veel ik kan.
Of Vader, my met haar wil trouwen,

Ik zal my hier wat sjaques houwen, Of nog die bui wou overgaan.....

Maar