KUNST EN LETTEREN
PRINCESSE-SCHOUWBURG.
Princesse-Tooneel.
In het Zondag Ochtendblad heb ik reeds gezegd, hoe terecht dit sprookje van den jongen Fabricius een succes is geworden. Neen, een meesterstuk is het nog niet, dàt heb ik niet bedoeld, maar ik ben blij om het element van dichterlijkheid, dat er in zit, over het frissche, nog onbedorven, ontluikende talent, waarvan het blijk geeft, en over de gave van fantazie en schoone verbeelding. Hier geen zoogenaamde „tooneelrot”, die de techniektrucjes kent, en daarmede op théâtrale, goedkoope effecten aanstuurt met een inwendig vaan leegheid rammelend stuk, maar een dichter, die den onweerstaanbaren drang voelt, zich te uiten, nog zoekende naar den vorm.
l.l. Vrijdagavond is H. de B. al zoo vriendelijk geweest over den inhoud te schrijven. Wij kregen hier het groteske, het religieuze, het sprookjesachtige en het oûbollige door elkaar. Het groteske alleraardigst door het helletooneel en Beëlzebub met zijn dienaar voorgesteld, het religieuze door het Kerstmannetje gegeven, het dichterlijk-sprookjesachtige door Hans en zijn Gaaike, ook door de duivelsche intriges en goochelarijen, het oûbollige door de tooneeltjes in De Zwaan. Het is een beetje te veel voor den schrijver geworden, zoodat zijn stuk niet zuinig te lang is geworden, vijf tafereelen is veel te omvangrijk voor zoo’n sprookje, met drie had volstaan kunnen worden, en als de auteur niet meer wil, dat, zooals Zaterdagavond, er vóór ’t einde menschen de zaal uitloopen, omdat het hun te laat wordt, dient hij er flink het snoeimes in te zetten. Dit alles neemt niet weg, dat de jonge auteur een dichter is gebleken en geen fabrikant van tooneel-effecten en wat heeft hijzelf zijn stuk aardig aangekleed, wat ’n aardige decors (dat herbergje vooral!), wat ’n mooie, karakteristieke costumes, het was een lust om te zien.
En wat mag de jonge Fabricius Tilly Lus dankbaar zijn! Zij was precies, precies het meisje uit een sprookje, en, wat nòg meer is, zij weet hetgeen in haar hart en haar ziel gebeurt, te doen glanzen op haar gezicht. Als ik Cor Ruys was wist ik wel, wat voor stukken ik met deze zéér bijzondere, intuïtieve kunstenares zou spelen, om mijn schouwburg iederen avond tjokvol te krijgen. Er zijn wònderen met Tilly Lus op het tooneel te doen. En wat ’n geluk voor den auteur, een niet-beroepsspeler als Rijkens voor zijn Hans te vinden, die, wel is waar, nog niet zijn stem voldoende hoorbaar vermag te maken op ’t tooneel, maar even intuïtief als Tilly Lus de droom- en sprookjessfeer aanvoelt, en dus met háár samen het ideale paar weet te zijn, dat hier noodig was! Een al te geroutineerd acteur zou van de dichterlijke woorden over de sterren en de wolken, in de torenscène, valsch pathos hebben gemaakt, uit den mond van dezen op de planken nog onbedorvene werd het tot poëzie.
Cees Lasueur lijkt mij niet aangelegd om een Beëlzebub genoeg fijn en giftig uit te beelden. Jan C. de Vos jr. was zijn wat àl te druk doende, maar toch zéér goed grimasseerende en gebarende dienaar, uitstekend van grime. Hoe heerlijk oûbollig was die waard van Nico de Jong, en wat ’n kranige actrice is toch die Juliette Roos, eertijds onze beste ingènue (wij hebben thans geen enkele echte meer), nú een juweel als ’t noodig is van een Komische Alte, en zóó allemachtig aardig thans als de vrouw van den waard, dat zij in haar origineel feestcostuum, een open doekje uitlokte. Voor het Kerstmannetje zou uk mij een ander, heiliger figuur denken dan Cor Ruys als zoodanig was, al trachtte hij haar verdienstelijk te benaderen.
Hoe aardig zou ’t zijn geweest, als de auteur het gordijn had doen vallen ná den slot-rondedans en het weg-trippelen der bruiloftsgasten naar de kerk. Ik keek al uit of het nog niet viel, maar warempel, daar kwamen die duivels nog weer eens terug, van wie zoo pas was gezegd, dat zij verjaagd waren en bedierven den leutigen, majeur slot-indruk. Dat de bruiloftsgasten hierna nog eens terugkwamen was herhaling en „deed” het niet meer zoo. Hoe is ’t mogelijk, dacht ik, dat de regisseur-auteur dat niet gevoeld heeft!
Het publiek was enthousiast, en riep den schrijver op het tooneel, die de spontane beau geste maakte, Tilly Lus dankbaar de hand te kussen.
Als deze jonge, dichterlijke man nu maar niet door succes bedorven wordt tot opgeblazen ijdeltuiterij en zelfgenoegzaamheid, zooals zoovelen, als hij maar niet het gewicht gaat leggen op theatertrucs en effecttechniek, maar op het innerlijke en het musische, dan kunnen wij nog veel van hem verwachten.
H. B.
GEBOUW v. K. en W.
De Haghespelers.
Een volle zaal, de meerderheid kinderen, maar toch ook veel groote menschen, die eens als kinderen geheele passages van Prikkebeen uit het hoofd kenden, heeft gisterenmiddag genoten van deze bewerking, en opgewonden kleintjes gaven nu en dan repliek. Hiermede kan een recensie uitgesproken zijn. Joh. de Meester Jr. had alleraardigste décors en costumes er bij gemaakt, waarvan ik vooral Prikkebeen’s tuintje — en er kwetterden en floten en trillerden net echte vogeltjes in! — het mooiste vond.
Gilhuys heeft zich niet aan de volgorde van ’t boek gehouden, en b.v. personages, die zich pas in den walvischbuik ontmoeten, al in Prikkebeens tuin als bekenden doen samenkomen, en ook heeft hij er een en ander ingelascht, dat in ’t geheel niet in De Wonderlijke Avonturen voorkomt, maar, wat doet het er toe, het publiek was tevreden en méér dan dat. Da auteur zelf was een kostelijke Prikkebeen, Beppie de Groot een heel niet virago-achtige, maar juist een amourtje van een Ursula, Frits van Dijk een allervermakelijkste Dick, Rie Gilhuys een Speleman van verrukkelijke uitbundigheid, en Louise Kooiman een typische Pieternel. Er was, natuurlijk, muziek van Alex de Jong. Als ik dezen een goeden raad mag geven: Oppassen, anders wordt U een muzikale Rie Cramer, met al de gemakkelijke gracieusheid, maar ook met al het gebrek aan diepte.
H. B.
HAAGSCHE KUNSTKRING.
Vrijwel iederen Zaterdagavond brengt de Kunstkring zijn leden iets goeds, een concert, een reeks voordrachten, en altijd na afloop is er een gezellig uurtje van broederlijk en zusterlijk samenzijn. Nu en dan wordt dit na-uurtje iets langer omdat er iets extra’s is. Zóó was het ook weer Zaterdag jl. Vooraf het concert van vader en zoon v. d. Burg en Henk v. d. Berg, waarvan wij Zondagochtend reeds berichtten, daarna een programma, dat niet minder loffeijk was. Natuurlijk domineerde de Kerststemming. Een bizonder fraaie Kerstboom praalde in licht-weelde en op het podium werd de Kerstnacht in beeld gebracht. De Kunstkring bezit uiteraard op alle kunstgebied voortreffelijke krachten; ze zijn voor ’t grijpen en... zij zijn bereidvaardig. ’t Programma gaf geen namen van de spelenden, wij verklikken dus ook niet. Maar goed was het, keurig in stijl en vorm.
Na den Kerstnacht, Goethe’s Epiphanios op de muziek van Hugo Wolf: drie Koningen met fijne, bijkans vrouwelijke gratie en stemmen, waar menige zangeres verliefd op zou worden. Kerstpuikje, naar Andersen, volgde en ten slotte een Jan Steen in beeld: Zooals de ouden zongen...... In de ensceneering viel de hand der meesteres te herkennen. Wie ze was, het programma vertelde het niet en dus blijve het zoo. De weergave was onberispelijk, gelijk wij trouwens van deze spelenden verwachten mochten, verwend als wij reeds vaak door hen zijn. Plots schoot het leven in deze beeldengroep; zij herkregen hun stem en hun kritischen geest, die zich aanstonds uitstorttet over de diverse kunsten en haar lotgevallen. En toen ging het er op los: Toorop’s ingegooid raam, de „kruieniertjes” in den gemeenteraad die Linse’s werk afstemden, zij gingen over den tong. Een vloed likken en likjes uit de pan volgde, voor Borel, Heyting en Canter — ge snapt waarover? — voor het jongste lid van den Kring dat in jeugdigen overmoed aanstonds op een praatavond het doel van den Kunstkring behandelde enzoovoort. Spontane hulde werd gebracht aan mevr. de Boer—van Rijk en de volle zaal verhief zich om de hulde van Jan Steen’s groepje kracht bij te zetten. Ten slotte jubelde het schilderij: De Gilde viert, stoere koks droegen de heerlijkste pasteien binnen en ......
Het was gezellig en vroolijk, huiselijk en knus in den kelder op het Binnenhof, waar zacht-rood licht feeëriek schijnsel wierp op de schare, die van tijd noch uur meer afwist.
L’ORCHESTRE à PLECTRE.
Dat er voor mandolinemuziek belangstelling is in de Residentie bleek gisterenmiddag in Diligentia waar de galerij uitverkocht was, en de zaal vrij goed bezet, niettegenstaande behoorlijke prijzen.
Er was een kleine ritardando in het programma. „Koos”, de getrouwe zaalchef, kwam ons vertellen, dat de Parijzenaars te laat waren aangekomen en aan zijn beleid dankten wij, dat de heer Frans de Groodt, de mandolinevirtuoos, vast met zijn solo’s begon. Hij gaf eerst een preludio van Calace, bijna een vioolsolo, imitatie Bach, met schitterende techniek. De solist wist mooie nuances aan te brengen, zeer gevoelig af te dempen en met succes meerstemmig te spelen. Soms vond ik de tremolobeweging van het plectrum wat traag, zijn pianissimo was bijzonder gelukkig, evenals de cadenzen in een stuk van Wieniawski, die met bravour werden vertolkt.
Onder zijn solo’s, het geschuifel, dat de komst der Franschen aankondigde. Kort daarop hun joyeuse entrée onder leiding van den heer Feret. Hun orkest is als volgt opgesteld: piccolo (sopranino), mandoline (viool), mandolalto, mandole (violon-tenor), mandoloncelle, mandolone (kleine contrabas), grand mandolone, pauken, enz.
De concertmeester speelt om de beurt de piccolo-partij of mandoline en begon met een mankementje aan zijn instrument. Maar geen nood, de dirigent haalde een ander voor hem uit de achterhoede en het orkest kon beginnen. Krachtig ging het Wien Neerlandsch Bloed in eenigszins Fransche regie. Het orkest, dat geheel uit dilettanten bestaat, vertoonde in de eerste plaats niet de minste vermoeienis na de nachtreis en bleef den geheelen middag tot halfzes even opgewekt en nauwgezet musiceeren. De heer Feret is een kwiek dirigent, weet met weinig gebaar heel veel te doen en zijn orkest tot prachtige climaxen te brengen. Een Bourrée van Bach b.v., maar vooral het teere Lohengrin-voorspel was werkelijk ongelooflijk van klank en zelfs het slot niets onzuiverder dan gewoonlijk de twee concertmeesters het eraf brengen in een symphonieorkest. Van hem hoorden we ook Tarass Boulba, een Poème symphonique van Alex Georges, een orgie van klanken, maar meesterlijk door dezen werkelijken kunstenaar opgebouwd en vooral Prelude en Mazurka uit Coppelia behoorde tot de beste orkestnummers. Een andere Parijsche dirigent, de heer van de Wall dirigeerde Impressions d’Italie van Charpentier, waarin de muilezels uitmuntend werden geïmiteerd. Deze leider was wat erg druk in zijn bewegingen en gaf zelfs te veel aan. O.i. is de rustige doelbewuste Feret exacter.
Het mooist waren de onderstemmen, dikwijls klonken ze als volmaakte hoorns, de paukenist, die zich bij ieder nummer met een stemfluitje controleerde, speelt als een kunstenaar en er heerscht een schitterende eenheid in dit ensemble. Een enkel maal trof het plotselinge afbreken even onaangenaam (Lohengrin) en nu en dan was de zuiverheid niet geheel intact (net als de cellisten gewoonlijk in Charpentier), maar we mogen nog eens apart noemen de mooie muzikale lieeringen als op strijkinstrumenten en hoe er dikwijls als gezongen werd. Het gezelschap bespeelt uitsluitend Gelas-instrumenten en de fabrikant was zelf meegekomen en bleek een even serieus mensch als kunstenaar in zijn vak. Feret kreeg na de pauze een welverdienden lauwerkrans en liet het orkest meermalen opstaan. Op verzoek werd ook de Marseillaise ingelascht en met geestdrift begroet.
Mme. Nora Arnouts, die op een begeleider had gerekend, moest ten slotte haar eigen liederen begeleiden en bleek over een krachtige altstem te beschikken, die nog voor eenige verfijning vatbaar is. Zij zong o.a. recitatief en aria uit Xerxes, meerbekend als het Largo van Händel, waarin de begeleider wel zeer werd gemist. Goed speelde ze het naspel van Huberti’s Meilied.
Het was een interessante middag, die ons tot het eind heeft geboeid. Nog eens, ik bewonder den Ausdauer van deze dames en heeren, die ’s avonds weer concert hadden in Rotterdam. We wenschen hun verder een aangenaam verblijf in ons land toe.
MAETERLINCK.
De vroeger aangekondigde Maeterlinckdag, waarop ten tooneele zouden worden gebracht ’s dichters Monna Vanna en De dood van Tintagiles, zal hier ter stede plaats hebben op Zondag 30 December a.s., ’s middags en ’s avonds.
Te Bussum is overleden de musicus C. F. Hendriks.
LEZING EDUARD VERKADE
Gistermiddag heeft Eduard Verkade in zijn theater voor een klein publiek (dat hem echter zeer hartelijk ontving) een lezing gehouden, waarin hij eenige gedachten over het tooneel en zijn tegenwoordige plaats in de samenleving heeft uiteengezet. Verschillende, min of meer van elkander staande onderwerpen, heeft de heer Verkade daarbij besproken.
De meeste acteurs en actrices aldus spr. zijn te verdeelen in twee groepen: die uit roeping aan het tooneel komen en die dit uit eerzucht doen. Persoonlijk is spr. uit roeping aan het tooneel gegaan. Als men jong is denkt men aan het priesterschap van het tooneel. Daarvan komt men met de jaren wel terug. Als men de ijdelheid opgeeft te denken, grooten invloed op het menschelijk denken te kunnen uitoefenen, begrijpt men met Shakespeare, dat het tooneel het spiegelbeeld der maatschappij is. In onzen verbrokkelden tijd is er dus een verbrokkeld tooneel. Verbrokkeld door de groote verschillen in gedachtegang en begrip. Elk stuk heeft thans zijn partij vóór en tegen. Er is geen publiek meer, er zijn nog slechts uitgaande menschen.
Het publiek oefent grooten invloed uit op de voorstelling, haast even groot als de akoustiek. Het conflict in de zaal kan de sfeer breken.
Goede voorstellingen zijn alleen mogelijk bij een publiek, dat van een gelijke gedachtegang is. Er kome dus een organisatie in het schouwburgpubliek, zooals dat bij concerten gaat.
Grieven tegen het tooneel zijn grieven tegen onze huidige maatschappij. Vertrouwen is het eenige redmiddel.
Een dertig jaar geleden waren de toestanden heel anders. Het publiek kreeg minder en vroeg minder. Alles was eenvoudiger en indolenter. Thans kent het tooneel norm noch standaard. Er is genoeg publiek, maar het aantal voorstellingen is zoo toegenomen. Publiek, kritiek en enkeling weten niet, wat zij wenschen, wàt mooi is en wat niet. Slechts intuïtie is natuurlijk gebleven. Het publiek komt ook zonder verwachting. Er is geen norm. En de kritiek is daardoor bijna altijd onbevoegd. Dit is heel erg voor het tooneel.
Taal en podium zijn twee realiteiten. Proeven om deze twee te doen vervloeien, faalden steeds. Men kan de grens tusschen beeld en spiegelbeeld niet opheffen. Men begrijpe ook, dat de realiteit van het tooneel niet de realiteit is van het publiek (wèl in den bioscoop, omdat de film het technisch wel degelijk kàn zijn).
Dat deze twee realiteiten in den schouwburg botsen, is een zeer moeilijk en belangrijk punt.
Spr. gaf voorbeelden van zulke botsingen. Deels zijn zij op te heffen door de artistieke aanduiding, waaraan de fantasie van speler èn publiek houvast heeft.
Spr. zette uiteen, hoe het manuscript van een tooneelstuk de plattegrond is; de opvoering het gebouw. Het woord van den dichter is een kijkgat in den muur. Het publiek wil er doorheen zien en de regisseur bouwt het uitzicht. Er is hier dus geen kwestie van reproduceerende kunst. Wetten nu, die voor architectuur, bouwmeester en aannemer gelden, gelden óók voor tooneelkunst, auteur en regisseur. De regisseur is dus te vergelijken met een architect, die eens anders plan moet bouwen. Soms vindt die architect die opdracht vereerend, soms is het hem de moeite niet waard en soms durft hij het niet op zich nemen; is het hem te zwaar.
Teleurstelling in dezen uit zich vaak in schrijverij over tooneel in het algemeen. Dit is zeer onbillijk bij zóóveel risico voor den een en in ’t geheel geen risico voor den ander.
In de pauze was gelegenheid tot het stellen van vragen welke in het tweede deel der lezing werden opgenomen en behandeld. Er waren er heel wat ingekomen.
Men vergelijkt altijd den regisseur met den dirigent. Maar dat is toch niet heelemaal juist. Een partituur is geen rol. Een orkest bestaat niet uitsluitend uit solisten. En de regisseur moet zich terugtrekken, zoo gauw als het scherm opgaat, terwijl de dirigent dan nog aan ’t roer blijft.
Wat de kritiek betreft: Men kan er niet buiten, maar de critici slaan ons wel eens dood uit louter liefde.
Dit alles is geen klacht tegen de moderne maatschappij, maar een gemoedsuiting op hoop van toekomstige harmonie.
PAUL WEGENER.
De heer Hugo Helm is uit Berlijn teruggekeerd en deelt ons mede:
Zooals reeds gemeld is, zal deze groote Duitsche acteur met een uitgezochte schare tooneelspelers in Januari in ons land een serie gastvoorstellingen geven. Volgende stukken zullen opgevoerd worden: van Strindberg Der Vater, Gespenstersonate, Totentanz en van Andrejef Der Gedanke. Tot het ensemble behooren de eerste Duitsehe tooneelspelers, o.a. Duitschlands bekende vertolkster van moederrollen, de door de film hier ook reeds welbekende: Frieda Richard. Dan de eerste jeugdige liefhebber van het Berliner Staatstheater Lothar Müthel. Hier reeds goed opgetreden zijn Marie Eis en Hans Sturm; nieuw zijn nog Marga Reuter en Greta Schröder uit Berlijn. Verder Thea Götz, Ali Hoffmann, Fritz Richard en de ook als toneelschrijver zeer bekende Walther Hasenclever, de schrijver van het drama Der Sohn.
De eerste voorstelling is op 4 Januari in Arnhem. In Amsterdam zullen de voorstellingen van 5 tot 10 Januari in den Hollandschen Schouwburg plaats hebben. De eerste voorstelling in den Haag is op Vrijdag 11 Januari in den Koninklijken Schouwburg, in Rotterdam in den Grooten Schouwburg op Maandag 14 Januari vastgesteld.
HULDIGING LOUIS BOUWMEESTER.
Men schrijft ons uit Amsterdam:
Zaterdagavond heeft het publiek Louis Bouwmeester bij zijn komst in de Schouwburgzaal van het Paleis voor Volksvlijt, ter bijwoning van de opvoering van De Dochter van de Tamboer-Majoor door de Haghezangers, een langdurige ovatie gebracht. In de pauze heeft de Fransche consul baron A. le Pallu de la Barrière, Bouwmeester gelukgewenscht met zijn herstel en hem gecomplimenteerd met de toekenning van de Orde van het Legioen van Eer.
De heer S. B. Benavente heeft een fantasie, Engelenzang, (voor strijkkwartet) aan de Koningin opgedragen en een dankbetuiging namens H. M. ontvangen.

’7471 21
We herinneren nog even, dat het Residentie-Orkest op Eersten Kerstdag in het Gebouw een extra-middag-concert tegen lage prijzen geeft, met een Beethoven-program: de Ouverture Leonore 3, het 3e Pianoconcert, met Röntgen, en de 4e Symfonie. Men heeft meer dan eens den wensch uitgesproken, het Haagsche orkest voor een grooter publiek, buiten de abonnees van de Diligentia- en Zondagmiddagconcerten, te hooren spelen. Men heeft er morgen de gelegenheid toe.
Het Kaiser-Friedrich Museum te Berlijn is door ruil in het bezit gekomen van een Italiaansch bronzen beeld van 1/3 meter hoogte. Het stelt een strijdenden Hercules voor. Prof. Bode, die het als een werk van Florentijnsche kunst beschouwt, prijst de schoonheid zeer. Een naam van den maker noemt Bode niet, maar hij wijst op twee andere werken, die blijkbaar van dezelfde hand zijn en omstreeks 1500 vervaardigd moeten zijn.
CONCERT EN THEATERGIDS.
Woensdagmiddag tweeden Kerstdag zal Dirk Schäfer in Diligentia het eerste van zijn vier concerten, welke de Hollandsche Concertdirectie dr. G. de Koos gearrangeerd heeft, geven.
De verdere data voor deze serie concerten zijn: Zaterdag 23 Februari, 22 Maart, 13 April.
Zijn programma voor het eerste concert is als volgt: Sonate d. dur van Mozart, Wanderer fantasie op. 15 van Schubert, Interludes op. 17 van Dirk Schäfer, Ballade op. 52, Mazurka op. 17, Nocturne op. 15, Etude op. 25 van Chopin.
In de gast-opera-voorstelling van Traviata, Donderdagavond in het Gebouw voor K. en W. op te voeren, is de bezetting als volgt: Violetta Melvina Passmore, Flora Math. Nieuwerkerk, Annina Jo Solleveld, Alfredo Björn Talen, Giorgio Arthur Fleischer, Gastone Max. Willfsky, baron d’Orbel Leo Marcus, Ookter Grenvil Anton Sistermans, Guiseppe Alfred Klietz.
Dirigent is Selmar Meyrowitz.
Op het Wijdingsuur in de Doopsgezinde Kerk a.s. Donderdagavond werken mee de heer Golterman, mej. Lily Koekoek, mezzo sopraan en de heer Jean des Prés, tenor.
Van 1 Januari af zal Max Gabriel’s operettegezelschap gedurende 14 dagen voorstellingen geven in het Gebouw voor K. en W. van de groote succes-operette Madame de Pompadour. Deze Schlager-operette is reeds met succes opgevoerd te Berijn, Weenen, Londen, Nieuw-York, Amsterdam, enz enz. De titelrol zal vervullen mevrouw Beppie de Vries. De regie is in handen van den directeur Max Gabriel.
Louise den Hollander zal met eenige van haar piano-leerlingen Donderdagmiddag een concert geven in Diligentia met medewerking van een strijkkwintet. Uitgevoerd worden o.a. 4e trio van Beethoven, Forellenkwintet Schubert, Klavierkwintet Schumann.
In het nieuwste blijspel van het Schouwtooneel, de satyrieke grapperij van Karl Strecker, getitel ’t Krokodilletje, waarvan morgen (in Kerstdag) de 1e opvoering gegeven wordt in den Koninklijken Schouwburg, treden op de dames Lena Kley, Stine v. d. Gaag, Enny de Leeuw, Rolien Numan en de heeren Jain Musch, Co Balfoort, Ezerman, Paul Karsten, Pierre Nols, Adr. Hooykaas, Sam de Vries, Willem de Vries, Hugo Reyst en A. Gryndore.
Regie dr. Harbert Kraus en Jan Musch.
Voor de opvoering van het blij Verlofgangerspel Vrijgezellen door M. H. du Croo, dat gedeeltelijk aan boord van een groote mailboot speelt, en waarvan de première Dinsdagavond plaats heeft, zijn de décors ontworpen door en uitgevoerd in de ateliers van het Princesse Tooneel onder leiding van Indiër, een Indisch décorateur van naam. De regie is van den schrijver.
De Kerstvoorstellingen van het Vereenigd Rotterdamsch-Hofstad-Tooneel, in den Koninklijken Schouwburg alhier, zijn: Dinsdagmiddag Oud-Heidelberg. Woensdagmiddag en -avond (42e en 43e opvoeringen) Boefje, met Annie van Ees in de titelrol.
Donderdagavond (populaire voorstelling) het dolle blijspel Potasch en Perlemoer.
Dinsdag 25 Dec. (1n Kerstdag), Woensdag 26 (2n Kerstdag) en Donderdag 27 December zullen de laatste voorstellingen van la Garçonne in Diligentia plaats hebben.
Ook te Rotterdam zal een serie populaire kunstavonden in abonnement worden gegeven, met een extra concert (liederenmatinée), voor de abonné’s vrij toegankelijk. Deze serie is als volgt samengesteld: 9 Januari piano-avond Paul Schramm, 12 Februari Amarquartet, 26 Februari Musikalische Kammerspiele, met Claire Jache en Max Mensing in de hoofdrollen, 12 Maart Buschquartet, (prof. Adolf Busch, Andreasson, Dokter, prof. Paul Grümmer). 27 Maart piano-avond Walter Gieseking.
WEEKBLADEN.
In de Amsterdammer komt prof. Kernkamp over de kwestie van het vertrek van den Duitschen kroonprins en de houding der Regeering. Byvanck vervolgt zijn: Kangaroe. Van C. G. Roos: Leerplicht-evoluties. Elis M. Rogge schrijft over bloemen en feesten. Jo de Vos geeft een bijdrage: Geste de fleurs. Van M. de Rovanno: De salon van den potlepel. Thijsse heeft het over Sprokkelhout. Plasschaert wijdt een geïllustreerd artikel aan Steinlen. Dr. v. Loon draagt een Méditation de Noël bij. Van François Pauwels een gedicht: Ontwaken. Van Lod. v. Deyssel een bijdrage: Prediker. Joh. L. geeft een klemmend essay: De onbekende gevangene. Van Ellen Forest: Onze Consuls. Jantje worstelt nogmaals met de Amsterdamsche tram. G. A. Willinge discht een Onzinnige Geschiedenis op.
Het hoofdartikel van De Nieuwe Eeuw is natuurlijk gewijd aan Kerstmis. Dan: De bondsvergadering te Utrecht, een verzameling opinies. De brief uit Weenen behandelt het Duitsche lied. Volgen de moppen. In de Vrouwerubriek wordt de kwestie der slaapkamers besproken. Van Gerhard Krekelberg: Jericho, en Kerstroos. Ten slotte: Landbouw in Amerika.
Het Leven geeft kieken, die bewijzen, hoe het Kerstfeest meer en meer inburgert in ons land. Dan: een kerstliedje, mooie foto’s van de Dachsteingrot in sneeuw en ijs, prachtkieken van Parijs bij nacht, modesnufjes. Engelsche studentengrappen, de drooglegging van Amerika, wintersport in het Berner Oberland, etc.
De Dag vangt aan met een artikel van Van Zuylen: Vrede op aarde. Volgen de Aanteekeningen en de buitenlandsche rubriek. Daarna een Kerst-slaapliedje. Socius schrijft over de theater-malaise. Eduard Houbolt draagt weer een teekening bij. Henry de Groot bespreekt de heilige dansen in de Middeleeuwen. Van H. J. P.: Het einde van het leven. Dr. v. d. Mijle deelt mee, hoe men uit gemeentekassen plukken kan. Ten slotte: Vrouwenleven, Haegsche Brief (alwéér een kopie van ’t Geheime Dagboek der H. P.!!), kinderkrant en grappen.
KALENDERS.
De directie van Bad-Ems verspreidt kleine zakkalenders ter aanbeveling van haar bekende geneesmiddelen als Emser-Water, Emser-Pastilles en Emser-Zout.
Wetenschappelijke Berichten
Koloniale vacantiecursus voor geografen.
Op 27, 28 en 29 December zal vanwege het Comité voor Indische lezingen en leergangen te Amsterdam de vierde koloniale vacantiecursus voor geografen worden gehouden. Uitsluitend Celebes zal in dien cursus worden behandeld. Prof. dr. J. Wanners, hoogleeraar te Bonn, zal 27 December de geologie van het eiland bespreken, 28 December zal de zendeling dr. Albert C. Kruyt behandelen de volken van Midden-Celebes, des middags zullen rolprenten van Celebes vertoond worden met toelichting van den heer L. van Vuuren, 29 December zal dr. L. F. de Beaufort de fauna van Celebes behandelen, terwijl tot besluit een bezoek gebracht wordt aan het stoomschip Johan de Witt der Stoomvaart-Mij. Nederland.
De cursus wordt gehouden in het Laboratorium voor de Gezondheidsleer. Tegelijkertijd wordt in het Kol. Instituut een verzameling weefsels van het eiland Soemba tentoongesteld.
Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap.
Zaterdag heeft prof. dr. H. A. Brouwer, hoogleeraar in de historische geologie en palaeontologie aan de Technische Hoogescheol, voor leden en genoodigden van het Aardrijkskundig Genootschap, in Artis te Amsterdam, een voordracht met lichtbeelden gehouden over de gebergten van Oostelijk Australië en Tasmanië.
Op grond van zijn ervaringen tijdens het dezen zomer in Australië gehouden tweede Pan Pacific Congres, gaf spr. een overzicht van den geologischen bouw dier bergen.
Met behulp van lichtbeelden, verklaarde prof. Brouwer daarna de ontwikkeling van de Australische fauna en flora, de geschiedenis der gebergten en het ontstaan der steenkolen in Oost-Australië, en de verspreiding der sporen van twee oude ijstijden, de permische en de cambrische.
Maatschappij tot Bev. der Geneeskunst.
Een referendum.
Wij hebben onlangs medegedeeld, dat het hoofdbestuur der Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst naar aanleiding van de ontevredenheid in den boezem der maatschappij over haar organisatie een enquête heeft ingesteld.
Het zond daartoe aan de 3305 leden der maatschappij vier vragen ter beantwoording en den uitslag van deze enquête vinden we thans opgenomen in het jongste nummer van het Tijdschrift der Maatschappij. Van 2103 leden heeft het hoofdbestuur antwoord ontvangen en omtrent het resultaat van het onderzoek ontleenen wij het volgende:
De verste vraag was, of men de in de Maatschappij bestaande organisaties ter behartiging der vakbelangen met verplichte deelneming wenschte te behouden.
Hierop werden 603 stemmen voor 1428 stemmen tegen handhaving uitgebracht, terwijl 73 leden die vraag niet beantwoordden. De tweede vraag was, of men de Huisartsenorganisatie met verplichte deelneming wilde behouden. Die vraag werd door 466 bevestigend, 1430 ontkennend beantwoord, terwijl 207 blanco stemden.
De vraag, of men de Specialisten Organisatie met verplichte handhaving wilde handhaven, werd door 366 leden bevestigend, door 1228 ontkennend beantwoord, 207 leden stemden blanco.
Op de vraag: Wat is uw hoofdbezwaar tegen de bestaande inrichting der Maatschappij, werden de volgende antwoorden ontvangen:
722 vinden de Maatschappij te duur en te omslachtig; 36 leden achten de bijdrage aan het Centraal Orgaan(bestuur) te hoog; 547 noemen als bezwaar te veel vak-organisatie en dwang, en 158 hebben bezwaar tegen de groote macht der organisaties, en haar vertegenwoordiging in hoofdbestuur en dagelijksch bestuur; 190 leden oordeelen de tegenwoordige regeling te veel gecentraliseerd; zij pleiten vóór afd.-gewijze organisatie on werkcommissies; 20 leden wenschen organisaties buiten de Maatschappij en 59 hebben als bezwaren geringe macht naar buiten; platteland heeft niets aan de organisaties; onvoldoende rechtspraak; bestaansmogelijkheid afhankelijk van het lidmaatschap der Maatschappij; 49 leden zijn vóór behoud van het Centraal Orgaan, 20 leden zijn vóór het behoud van één organisatie voor huisartsen en specialisten.
ALARM.
Dit anarchistisch maandblad zendt ons een speciaal kunstnummer toe. De voorplaat toont al dadelijk een man met een kuntarm en een kunstbeen. Vervolgens schrijft de heer A. L. Constandse over de kunstmatigheid der kunst. En doet dit op charmante wijze; scheldwoorden, vieze woorden, allerlei onsmakelijks. Dan: litteratuur en proletariaat, een studie van Max Hermann Neisse. Volgen twee rare gedichten van Meyer Polak. Daarna een vertaald stukje over Tolstoi en Meyer Polak’s inzicht over ’s werelds verval. I. K. Bonset vraagt: Wat is dada? Ditmaal is dada zoo iets als katapeptisch-doorvreten-zijn. Ten slotte A. L. C. nog over Enkele Jongeren, een vers van Krul: Zondagavond (Boven de wereld schatert natuurlijk de hoonlach der dooden). J. de Haas schampert over de beschaving. Wim van Amstel maakt een prachtige teekening op het motto: Staat op, staat op, gij verdrukte proletaar!
Dit kwajongenswerk zou anarchie zijn!!
It Heytelan, het Friesche weekblad, komt ook uit met een Kerstnummer. Het is bijzonder mooi geworden. Teekenaars van reputatie als Tjerk en Tjeerd Bottema, Idse Wiersma, Johs. Elsinga, Piet v. d. Hem, S. Geertsma en J. Planting leverden prachtige illustraties, schrijvers als O. H. Sytstra, Winkelman, Dr. J. Botke, Rinke Tolman, Dr. G. A. Wumkes, R. Brolsma, R. W. Canne, J. J. Hof leverden zeer uiteenloopende bijdragen, er zijn gedichten in te vinden van Jan fen ’t Gaestmar, Postma, Dr. J. B. Schepers, F. J. de Zee, L. O. B. enz. Voorts schaakrubriek, kinderverhalen, wedstrijden, kortom het is alleraardigst, vol afwisseling en interssant.