KUNST EN LETTEREN
Boedapester Strijkkwartet
Diligentia
Het Boedapester- of Roismann-kwartet bestaat nu uit de heeren Roismann, Alex. Schneider, Ipolyi, Mischa Schneider. Oorspronkelijk was de samenstelling: Hauser, Roismann Ipolyi, Son, die daarna veranderde in: Hauser, Roismann, Ipolyi, Schneider. De oorspronkelijke tweede viool is dus eerste geworden, de alt bleef steeds op zijn post, en er zijn nu twee Schneiders, drie Russen en een Hongaar (dit nog even ter herinnering).
De huidige samenstelling hadden we trouwens als eens gehoord. Een paar jaar bleven de heeren weg. Het weerzien bracht groote verheugenis. Als lk me wel herinner, is het peil enorm gestegen.
Wat al treft ons hier? De schoone glans der prachtig-sonore instrumenten om te beginnen. De cel heeft een zeer bizonder type; sòms met iets eigenaardig ruigs, dàn met iets gevoileerds, mystieks. De eerste en de tweede viool zijn verrukkelijk gelijk van klankidee als instrument, en de spelers harmonieeren zoo opvallend schoon, hebben overal zoo precies dezelfde manieren en indeelingen, dat de eenheid zelden zoo gehoord wordt. De primarius heeft virtuoze verfijning zonder ze apart te etaleeren. De tweede is een ragfijn-gevoelig, misschien iets te nerveus-beweeglijk, musicus. Ipolyi is de reine eenvoud en steeds intiem „ter zake’ spelende, geweldig beheerschte, maar donker stil gloeiende, altist. De cel is een zanger en karakterspeler bij de gratie der kwartetmuzen. Het samenspel is zoo vrij als gebonden, volmaakt dóór-gestudeerd maar volkomen-bezield gebleven. De aard van hun tempi heeft m.i. eenige wijziging ten goede ondergaan. Vroeger was er iets glads en àl te voortvarend à la (verkeerd opgevatte) moderne tijd in. Nog is ’t mij soms wat te gesloten en minder-volledig geanalyseerd (natuurlijk niet in bleek cerebràlen zin zou ik dat willen). Maar over het geheel zijn de tempi merkbaar bezonkener en niet zóó opgelegd „modern” meer. De homogeniteit der karakters en der vier-instrumenten-qua eenheid, is nu schitterend. De eerste violist trekt nooit méér de lakens (in het „solistische”) naar zich toe dan dat de componist hem er als ’t ware toe dringt.
* * *
De kwartetziel van de vier-eenheid is van een schoone vervoering bezeten. Overdrijvingen en effectjacht zijn niet te duchten. Er is iets, zoo gezegd, muzikantisch-natuurlijk zich geven, bij het viertal. Als eerste indruk (bij Haydn-d dur) klinkt het mogelijk iets te luid en te gespannen, met een ietwat ruigen inslag. Kan ook een lichtelijk nerveuze entrée geweest zijn. Maar dat gering-negatieve, slaat dan, bij nader inhooren onzerzijds en bij acclimatiseeren hunnerzijds, òm in het tegendeel, de sfeer van edel-vurige bewogenheid.
Voorwaar, het was aldus een schoone middag. De aanwezigen (matige opkomst) vonden het ook: geestdriftige terugroepen.
De heeren speelden behalve de Haydn — zeldzaam mooi van dieptegang, rust en klank: het Largo — het Kwartet van Ravel en Schuberts groote d-mol. Het ragfijne en teedere sprookjes-eenvoudige stemmenspinsel van Ravel, het verfijnd-spiritueele, het zwevende en doorzichtige in het niet wild of effectzuchtig opgevatte coloriet, de wonderschoone afwerking en de haarfijne zuiverheid, het niet overdreven-prikkelen in de rhythmiek, — dat waren zoo kwartettistische geneugten van bizonder hoog gehalte.
De reproductie van Schuberts groote d-mol Kwartet was niet alleen van een groote technische volmaaktheid — onberispelijk schoon samenspel — maar van een rijke bewogenheid in de dramatische lyriek. Al het sterk levend rhythmische — men kent er de rol van in dit kwartet! — en al het kwartetsymphonisch-sonore, om het zoo eens duidelijk uit te drukken, maakten diepen indruk. De eene variatie overtrof zoo mogelijk de andere. De finale vas uiterst virtuoos, zonder verscherping als zoodanig. De prachtige dynamiek in Schubert, nergens in uiterlijkheid vervallend, zal ieder kwartetminnaar bizonder getroffen hebben. En dat zal met zeer schoone klankverzadigdheid van Haydns Largo eveneens wel het geval geweest zijn.
Inderdaad als deze Boedapsters (het Roismann-kwartet) zóó blijven, en dat mogen we met vertrouwen verwachten, dan zijn we een superbe kwartetgezelschap rijker.
WAGNERFESTIVAL TE AMSTERDAM.
Onder auspiciën van de Wagnervereeniging is gisteren een speciaal Wagnerconcert georganiseerd; de eerste uitvoering, die te Brussel, Parijs, Lyon, Grenoble, Marseille en Straatsburg zal worden herhaald, kreeg Amsterdam in het Concertgebouw door het Concertgebouw-orkest onder leiding van Bruno Walter en met Hans Hotter als solist.
Voor Wagnerianen, en het waren er zeer velen — de zaal was tot de laatste plaats, ook op het podium bezet, zoodat het Blauwe zaaltje er bijgetrokken was — werd deze avond door subliem musiceeren een intens muzikaal genot, een waar festival.
Het programma werd ingezet met de ouverture van „Der Fliegende Holländer”. De solist, de nog jonge, doch reeds op den voorgrond tredende Wagnerzanger, Hans Hotter, uit Hamburg, vertolkte recitatief en aria uit de eerste acte van den Holländer. Reeds hiermede oogstte de hier te lande nog onbekende solist een warm applaus, dat na „Wotans Abschied und Feuerzauber” uit „Die Walküre”, na de pauze uitgevoerd, lang en geestdriftig aanhield.
Het orkest speelde verder de Bacchanale uit Tannhäuser, voorspel en slotscène uit Tristan und Isolde en tenslotte het voorspel Meistersinger, welke alle een meesterlijke vertolking genoten.
Het enthousiaste publiek bracht het Concertgebouw-orkest, maar in de eerste plaats zijn eminenten leider Bruno Walter, tot slot dan ook staande ovatie op ovatie.
JOHAN HEESTERS.
Hollandia te Berlijn heeft deze week een Johan Heesters-avond georganiseerd, waar ook Kammersänger Louis van de Sande en de sopraan Lissy Bühler medewerking verleenden. Heesters zong bekende Nederlandsche volksliedjes en oogstte vooral zeer veel succes met de „Jantjes”. Ook als conferencier bleek Heesters over groote talenten te beschikken. Af en toe bulderde de groote gehoorzaal in het „Haus der Technik”, die goed bezet was, van het lachen.
Johan Heesters heeft zich thans definitief met zijn gezin in Wannsee bij Berlijn gevestigd. Hij heeft met de Ufa een contract voor drie jaar gesloten, waarbij hij zich heeft verplicht, ten minste in twee groote films de hoofdrol te spelen. Deze week is men begonnen met de „Bettelstudent”, waarin Heesters de titelrol speelt.
Muziek te Florence
Uit Florence wordt gemeld d.d. 14 Maart:
Op het seizoenprogramma alhier stond een concert van den Münchener dirigent Knappertsbusch. Op het laatste oogenblik moest hij vervangen worden, daar na zijn ongenade hem geen buitenlandsche pas meer is uitgereikt. Dit was een groote teleurstelling voor een jong Florentijnsch componist, Piero Calabrini, van wien Knappertsbusch de tweede symphonie ten doop zou houden. Een eerste werk van Calabrini, de „Suite agreste”, werd intusschen in Weenen onder leiding van Rudolf Lulius met groot succes uitgevoerd; dezer dagen zal zij ook in Boedapest gebracht worden, terwijl een uitgave van verschillende van zijn composities in Oostenrijk ter perse is. Voor het eind van dezen winter hoopt men in Florence toch ook nog muziek van hem te doen hooren.
Terwijl binnenkort Bruno Walter, terug uit Amsterdam, wederom in ons midden verwacht wordt dirigeerde hier gisteren Issay Dobrowen, eveneens in Nederland bekend. In het Vijfde Brandenburgsche Concert, waarvan hij de pianopartij, zooals een nieuwe mode dat wil, voor zijn rekening nam, toonde hij zich evenzeer tot klassieke rust in staat, als in Beethovens Leonore III tot elke dramatische spanning en verteedering der romantiek. Doch het was in de Russen, in Moessorgsky en Strawinsky, dat deze Rus eerst de volle maat gaf van zijn vurige menschelijkheid.
EIGENLANDSCH WERK ALS ASSCHEPOES
Gisteren heeft de heer E. G. van Bolhuis een lezing voor den Bond van Nederlandsche Tooneelschrijvers gehouden in het Tooneellyceum. Hij besprak de gemeentelijke tooneelsubsidies, die geenszins aan hun doel beantwoordden, o.a. omdat ze het oorspronkelijke stuk niet steunden, zoodat een opbloei schier onmogelijk werd. Het tooneel hield zich veelal afzijdig, durfde het bij gelegenheid te verloochenen. Spr. gaf een opsomming van de weinige Nederlandsche stukken, die de laatste jaren voor het voetlicht waren gebracht en schetste het eigenlandsche werk als Asschepoes, thuis bij de booze stiefmoeder.
Een zeer geanimeerd debat besloot deze bijeenkomst.
MERIDIAAN V.
Op 14 Maart is te Amsterdam de Nederlandsche afdeeling opgericht van de Nederlandsch—Belgische Vereeniging „Meridiaan V”, gevestigd te Amsterdam en te Brussel.
„Meridiaan V” stelt zich, zooals men weet, ten doel de cultureele betrekkingen tusschen beide landen te bevorderen op de basis van volledige wederkeerigheid, onafhankelijk van politieke strekking. Naast een tentoonstelling van „Het Mooie Nederlandsche Boek” hebben reeds te Brussel Nederlandsche sprekers het woord gevoerd over letterkundige en paedagogische onderwerpen. Het is de bedoeling van de Nederlandsche afdeeling beurtelings een Vlaamsch- en een Fransch-Belgisch spreker uit te noodigen. Zoo zal op den 30sten dezer, zooals kort gemeld, als eerste spreker de Vlaamsche schrijver Lodo Zielens te Amsterdam optreden en in April de Fransch— Belgische schrijfster Marie Gevers een tournée door ons land ondernemen. Op het Nederlandsch programma staan verder bezoeken van Belgische studenten aan Nederlandsche instellingen en het bekend maken van Belgische kunstuitingen.
Het voorloopig bestuur bestaat uit: dr M. J. Premsela, Amsterdam, voorzitter; prof. dr N. A. Donkersloot Amsterdam; F. J. W. Drion, den Haag; prof. K. R. Gallas, Amsterdam; J. R. Meulenhoff, Amsterdam; prof. dr P. Valkhoff, Hilversum; prof. dr Marius Valkhoff, Amsterdam; dr Hub. Frets, Boskoop, secretaresse.
EXPOSITIE ETIENNE BOUCHRD
In de kunstzaal Vecht te Amsterdam is de expositie van werken van den Franschen schilder Etienne Bouchard, georganiseerd door het Ned. Comité van het Institut français d’Amsterdam, geopend. Etienne Bouchard is pensionnaire van het Maison Descartes.
Nadat prof. Guilhou en prof. Salverda de Grave het woord hadden gevoerd, werd de expositie door den Franschen gezant, baron de Vitrolles, geopend. Onder de verschillende autoriteiten werden opgemerkt de Commissaris der Koningin in de provincie Noord-Holland jhr mr dr A. Röell, de Fransche consul de beer L. Judas en de directeur van het Rijksmuseum, de heer F. Schmidt Degener.
Gehuwden uitgesloten van den Prix de Rome
Naar het Handelsbl. verneemt heeft de minister van Onderwijs, K. en W. besloten voor de toekomst aan degenen, die een Prix de Rome ontvangen, als voorwaarde te stellen, dat zij ongehuwd zijn.
Dit besluit is gevallen niet dan na langdurige overweging en berust op het feit, dat vooral in de latere jaren door de betrokkenen niet altijd aan het doel van den Prix de Rome werd beantwoord. Jonge kunstenaars, die dezen prijs verwierven, trouwden vaak kort daarop en bezigden dan een deel van den verkregen prijs om hun echtgenoote mede te nemen. Hierdoor kreeg de regeering uiteraard niet de zekerheid, dat de Prix de Rome voor de volle honderd procent aangewend werd voor het gestelde doel.
Het kwam in de laatste jaren bijv. voor, dat een jong kunstenaar, die den Prix de Rome had gekregen, daarna trouwde en naar Italië vertrok met zijn echtgenoote; maar dan niet zooals feitelijk de bedoeling was, zich te Rome vestigde voor zijn studie, maar ergens in de Campagna, omdat een verblijf voor twee personen te Rome te kostbaar was voor de middelen van den bezitter van een Prix de Rome.
Aangezien de middelen, die de regeering voor de verdere ontwikkeling van jonge kunstenaars beschikbaar kan stellen, vooral in dezen tijd, gering zijn, heeft zij dit besluit genomen.
FRANS HALS-MUSEUM
Het Volk meldt, dat ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Frans Hals-museum te Haarlem, in 1937, aldaar een groote tentoonstelling van schilderijen zal worden gehouden.
EXPOSITIE BIJ BUFFA TE AMSTERDAM
Zaterdag heeft voor genoodigden gelegenheld bestaan tot bezichtiging van de tentoonstelling in de zalen van kunsthandel Buffa te Amsterdam, waar een vijftiental werken van den Franschen schilder Henri le Sidaner waren geëxposeerd.
De Fransche gezant hier te lande, baron d’Arnauld de Vitrolles, heeft met een bezoek in den namiddag van zijn belangstelling doen blijken, terwijl voorts aanwezig waren de pers-attaché van het Fransehe gezantschap in Den Haag de heer Henri Asselin, de directeur van het Rijksmuseum dr Schmidt Degener, de directeur van het Stedelijk Museum jhr Röell, mr de Vries Feyens, namens het Genootschap Nederland—Frankrijk, prof. W. v. d. Pluym van de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, dr Bierens de Haan, curator van deze academie, de burgemeester van Laren jhr mr van Nispen tot Sevenaer, de Amerikaansche schilder Singer, Matthieu Wiegman, de beeldhouwer Hildo Krop, de heer Goudman en de gebrs. Dooyewaard en vele anderen.
Voor het publiek zal de tentoonstelling van 16 tot 28 Maart geopend zijn.
VEILING COLLECTIE ANTOON VAN WELIE.
Onder directie van S. J. Mak van Waay te Amsterdam zal 7 April in het gebouw Leesmuseum aldaar de collectie Antoon van Welie geveild worden.
De zeer belangrijke verzameling zal 4, 5 en 6 April te zien zijn en omvat oude schilderijen uit de Italiaansche, Fransche en Hollandsche school en nog verschillende kunstvoorwerpen.
De rijk geïllustreerde catalogus omvat niet minder dan 159 nummers. We noemen werken van Pieter Aertsen, Giotto di Bondene dit Ambrogiotto, Daniel Boone, Jacques Callot, Barth. Bruyn, Jan Cornellsz. Vermeyen, Paolo Veronese, Titiano Vecelli, Jacopo Carrucci dit Pontormo, Petrus Christus, Adr. Isenbrant, Verrocchio, Correggio, Gerard Dou, A. van Dijck, Wybrand Simonsz. de Geest, Gebr. v. d. Eeckhout, Peeter Huys, Jacobello del Fiore, Hugo v. d. Goes, Jan Gossaert de Mabuse, Simon de Vos, Maarten van Heemskerck, Herre met de Bles, Joachim Patinier, Lucas van Leyden, Barend van Orley, Rubens, Rembrandt, Tiepolo, Lucas van Uden, Adriaen van der Werff, Goya, enz.
Woensdag zal de Paaschtentoonstelling in de toonzaal Prins Mauritsplein 21—21 geopend worden met een inleiding van Kees Roovers.
Geëxposeerd worden werken van de schilders Kees Roovers en Lucas Bauer en den pottenbakker Chris Lanooy.
Onze oude kennis dr Ernst Kunwald blijkt den dirigeerstok nog niet opgeborgen te hebben. Hij leidt Woensdag de Weensche Philharmonie. Zijn programma bestaat uit de ouverture Egmont, de Eerste van Beethoven en de Derde van Schumann. En het wordt uitgezonden.
Dienzelfden avond zendt Berlijn Wagenaars ouverture Cyrano de Bergerac uit.
De Salzburger Festspiele beloven dit jaar een succes zonder weerga te worden. Waren er vorig jaar om dezen tijd voor 18.000 schillingen aan toegangsbewijzen verkocht, nu is dit bedrag al 70.000 schillingen, dus viermaal zoo veel. En de kaarten gaan de heele wereld rond.
In den Bremer dom heeft Otto Jochums sympnonische Mis haar eerste uitvoering beleefd. In het Et incarnatus est is het bekende kerstliedje Es ist eind Ros’ entsprungen verwerkt.
De jury heeft den Grand Prix littéraire van de Aéro-Club de France toegekend aan René Chambe voor zijn boeken Enlevez les cales, Dans l’enfer du ciel en Sous le casque de cuir.
Chambre is luitenant-kolonel en de eerste waarnemer van de Navarre.
Paul Fabre heeft den Grand Prix de littérature coloniale gekregen voor zijn boek Les heures d’Abéché, waar hij leeraar is.
Aan de Friedrich Schiller Universiteit te Jena is de student Heinz Stolte uit Erfurt bevorderd tot doctor op een dissertatie over den volksschrijver Karl May.
Gustav Frenssen heeft al de manuscripten van zijn werken aan Sleeswijk-Holstein afgestaan. Als dank heeft de stad Kiel hem een levenslange rente van 300 mark per maand toegezegd.
Er zal een bijzondere editie verschijnen van Axelle door Pierre Benoit met houtsneden van zijn zuster Renée Benoit.
In het kanton Bern wordt ter gelegenheid van de „Bino” een reeks tentoonstellingen gehouden. Te Biel is een „Seeländische” tentoonstelling in voorbereiding, evenals te Erlach in een leegstaande fabriek. Te Neuenstadt zal een tentoonstelling van herinneringen aan J. J. Rousseau worden gehouden, die op het St. Petersenland heeft vertoefd. Te Bern richt men een Zwitserschen salon in, te Framelan een „Jurassische Ausstellung”.
Zaterdag is te Bazel een groote tentoonstelling geopend van werken door Lovis Corinth.
CONCERT- EN THEATERGIDS.
Het Ned. Kamerorkest o.l.v. Otto Glastra van Loon, is uitgenoodigd om Dinsdag 17 Maart een concert te geven voor de Mij. voor Toonkunst te Leiden in den Stadsschouwburg aldaar. Uitgevoerd zullen worden Sinfonietta van Larsson, Concerto grosso in F van Händel, „Pastorale d’Eté” van Honegger en Sinfonietta van Roussel. Het Kralingsche Vrouwenkoor zal zingen Psalm nr 23 van Schubert, Twee Ballades van Pijper en Drie Negro Spirituals bew. door Peggy Both.
TIJDSCHRIFTEN
MAANDBLAD „THEORIE EN TECHNIEK IN HET MIDDENSTANDSBEDRIJF”.
Sedert Januari verschijnt dit maandblad in een nieuw gewaad, met een voorstelling van den uil van Minerva en de Mercurius-emblemen op den omslag. De uitgave wordt thans verzorgd door de N. V. de Zuid-Hollandsche Boek- en Handelsdrukkerij, afd. Zuidhollandsche Uitgevers Maatschappij te ’s-Gravenhage. Het jongste nummer bevat verschillende artikelen over middenstandproblemen in het buitenland. Uit een beschouwing over het in het Duitsch verschenen boek van dr Gabler over de problemen der Amerikaansche warenhuizen ontleenen wij het volgende:
„Het staat vast, dat de ontwikkeling der Amerikaansche warenhuizen is beheerscht door het feit, dat de omzethoeveelheden van 1921 tot 1929 geweldig gestegen zijn en daarna slechts weinig daalden. De omzetwaarden zijn weliswaar ook gestegen, maar lang niet zoo sterk. Toen de omzetwaarden in de crisis slonken, zijn de omzethoeveelheden aanvankelijk nog meer gestegen als gevolg van de prijsdaling.
Doordat de Amerikaansche grootbedrijven probeeren thans snel om te zetten bij een naar verhouding kleinere keus, zijn zij in den naoorlogstijd snel tot bloei gekomen en hebben zij in crisistijd vele warenhuisklanten tot zich getrokken.”
De Crisis-hypotheekaflossingswet 1936 wordt uitvoerig besproken. Drs L. J. Lagendijk wijdt een artikel aan de lunchrooms in warenhuizen en andere grootwinkelbedrijven. Deze kwestie is een klein onderdeel van een veel grooter en breeder probleem, n.l. het vraagstuk: „Moet de middenstand door wettelijke maatregelen geholpen worden in zijn strijd tegen de aanvallen van het grootwinkelbedrijf?” Hij beschouwt dan deze vraag in verband met maatregelen ter bescherming van den middenstand, in Duitschland genomen. Een merkwaardig Amerikaansch oordeel over de toekomst van den kleinhandel betoogt, dat de toekomst van den middenstand verzekerd is en dat de kleinhandel geen gevaar loopt uitgeschakeld te worden.
Ten slotte worden eenige goede raadgevingen gegeven over drukwerkreclame, vooral in verband met den aanstaanden voorjaarsverkoop.