Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/10

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

2

kennen. Ik zal alles geloven wat Potgieter, in zijn tweede deel van het Noorden, over de Zweedsche, en wat Wap, in zijn tweede deel van zijne reis naar Rome, over de italiaanse in 't midden zal brengen; maar zolang zij er van zwijgen, houd ik het met onzen eigen goedgebouwde, roodwangige, sterkbenige en, ondanks de veete tegen de Belgen, voor 't grootst gedeelte blauwgekielde spes patriae.

De hollandsche jongen; — maar vooraf moet ik u zeggen, mevrouw! dat ik niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontjen, met blauwe kringen onder de ogen; want met al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling, acht ik hem geen zier. Vooreerst: gy maakt te veel werk van zijn hair, dat gy volstrekt wilt laten krullen; en ten andere: gy zijt te sentimenteel in het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is om voor oom en tante te worden afgenomen, maar volstrekt hinderlijk en onverdragelijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van krijgertjen, — twee lieve spelen, mevrouw, die UEd. te wild vindt. Ten derde, heeft UEd., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen, om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde, laat gy hem doosjens leeren plakken en nuffige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven dingen te veel, die hy niet eten mag. En ten zesde knort UEd als zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon komt kijken; maar hoe zal hy ooit vorderingen kunnen maken in 't ootjen knikkeren? of de betrekkelijke kracht van een schoffel en een klap leeren berekenen? — ik verzeker u dat hy nagelt, mevrouw! een nagelaar is hy, en een nagelaar zal hy blijven: — wat kan de maatschappy goeds of edels verwachten van een nagelaar? — Ook draagt hy witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet UEd. wat UEd. van uw lief fransjen maakt? 1°. een gluiper; 2°. een klikspaan; 3° een genieperd; 4°. een bloodaard; 5°. ... Och lieve mevrouw! geef de jongen een andere pet, een broek met diepe zakken, en ferme rijglaarzen, en laat hy mij nooit onder de ogen komen zonder een buil of een schram, — hy zal een groot man worden.

De Hollandsche jongen is grof: fikse knieën, fikse knokkels. Hy is blank van vel, en kleurig van bloed. Zijn oogopslag is vrij; by 't brutale af. Liefst draagt hy zijn ooren buiten zijn pet. Zijn hair is van zondagmorgen half elf tot zaterdags avonds, als hy naar bed gaat in volkomen wanorde. Het overige van de week zit het goed. Krul zit er meestal niet heel veel in. Gekrulde haren, gekrulde zinnen! Maar sluik is het óók niet; sluik hair is voor gierigaards en benepen harten; dat zit niet in jongens; sluik haar krijgt men, geloof ik, eerst op zijn veerstigste jaar. De hollandse jongen draagt zijn das liefst als een touwtje, en nog liever in 't geheel niet; een blauw of schotsbond kieltjen over zijn buis, en een verstelde broek — dit laatste kenteeken gaat vast. In deze broek voert hy met zich — al wat