93
heb ééns neen gezegd. 't Was tusschen Haarlem en Leiden. Waarlijk, al de raamtjens waren gesloten, en toch moesten er twaalf menschen ademen en zes cigaren in 't leven blijven; maar hoe werd ik mishandeld door den man die naast my zat, en die dàn iets op mijn hoed, en dan iets op mijn parapluie, en dàn iets op mijne voeten, en dàn weder iets op mijn mantel, en dàn weder iets op volstrekt niets te zeggen had: waarlijk ik was mijn leven niet zeker. — Ook is de geheele wareld tegenwoordig op den voet van tabakrooken gebracht; die kunst behoort volstrekt tot de vita publica, en haar materieel is zoo portatief mogelijk gemaakt; ieder rijtuig is een tabakambulance; alle sierlijke uitvoerigheden der rookkonst zijn geabbrevieerd; — geen klassieke langwerpige, chineesverlakte tabaksdoos meer met de handteekening van den eigenaar in het deksel, maar tabakszakken van een vieze varkensblaas gemaakt, met een rood riemtjen aan het knoopsgat opgehangen. Om de waarheid te zeggen, zijn alle rokzakken tabakszakken; en wanneer gy een gezelschap fatsoenlijke heeren van onderscheiden kaliber en verdienste byeen ziet, kunt gy er altijd op aan, dat zy door elkander gerekend stellig zes of acht stuivers waard zijn, alleen aan cigaren die aan hun lijf zullen worden gevonden. Geen kiesch cigarenpijpjen meer, hetzij recht of gebogen, waardoor de rook als 't ware werd gedestilleerd — neen, het afzichtelijk rolletjen wordt, zoo als het uit de besp..kselde vingers van den tabakverkoopersjongen komt, uit een papieren zakjen gehaald en in den mond gestoken, opdat men er een dubbelzinnig genot van zou hebben, en van tijd tot tijd bezabbeld en beknabbeld over te gaan in de handen van iedereen die er een onzuiver vuur aan wil ontleenen. Geen reine, blanke goudsche pijpen meer met een voorzichtig dopjen gewapend; maar een leelijk slangachtig, stinkend, pruttelend, door en door van vuiligheid doortrokken moffentuig; en dan die nieuwmodische zwavelstokjens waarvan een mensch opspringt als zy afgaan, en die een hydrogenium ontwikkelen, waarvan iemand het hart in het lijf omdraait! — O, wanneer alle deze schrikbeelden my voor den geest komen; als mijn gedachte zich hier, in den zuiveren atmosfeer van mijne studeerkamer, waar, sedert mijn haard goed is uitgebrand, niets is dat de verhouding van eenentwintig deelen levenslucht tot negenenzeventig deelen stiklucht (nieuwste berekening) stoort; als, zeg ik, mijne gedachte zich hier in al die gruwelen verdiept, en wanneer ik bedenk dat ik nog dikwijls, zeer dikwijls in mijn leven my die indompeling in het dampbad van kruiden van allerlei hoedanigheid zal moeten getroosten: dan waarlijk sluit my het hart en beklaag ik my over de wreedheid van mijne natuurgenooten — en — half en half over de zwakheid van mijn maag en de kieschheid van mijn gehemelte, die my niet vergunnen (als onze vaderen zeiden) "toeback te suygen." Want gelijk men dieven met dieven vangen moet, en leugenaars met leugens tot zwijgen brengen, zoo