101
pen. Snuisteryen uit lava zijn tegenwoordig het meest aan de orde. Die hadt gy niet leelijk moeten vinden, omdat zy, ik, en een ander ze mooi vinden. Misschien vinden wy ze toekomende jaar geen aanzien waard. Daar zijn we niet minder om, vriend! dan is er weer wat anders dat ons bevalt; de zaak vereischt zoo veel ernst niet, en 't behoort tot de genoegens van ons leven, dáár dan weer blij meê te zijn.
Op het fatsoenlijk uur, als de beau monde byeen komt, hadt gy uw nichtjens rond moeten leiden, en er u volstrekt niet aan moeten ergeren als ze wat veel menschen aanspraken, en gy wat al te dikwijls hoordet welke kraam de mooiste was. En dan had er leven en belangstelling in uw gezicht moeten zijn. Gy zijt er niet te groot voor, AUGUSTIJN! niemand is te groot om zich met kleinigheden en kleinen te vermaken. Kijkspelen wil ik niet zoo zeer aanraden: of het moeten zulken zijn, waar men u op een grove wijze by den neus heeft; zoo wat boerenbedrog, weetge, is wel aardig voor iemand die veel boeken gelezen heeft. Over de beestenspellen kent gy mijne opinie. Maar in 't geen ik daar wel eens tegen gezegd heb is ook vrij wat overdrevenheid, mijn vriend! En als men het letterlijk op wilde nemen en.... Maar letterknechten zijn wy niet, zoo min als letterhelden; — daar hoort nog meer grieksch by. AUGUSTIJN, dan gy kent. Wy mogen ook wel eens doorslaan, dunkt my, als het thema goed gemeend en diep gevoeld is, en als dan de eene gedachte de andere uitlokt en wy worden er warm by, of vrolijk! Op die rekening wil ik dan ook een goed deel uwer philippica tegen de kermisvreugde schrijven. Niets is zoo kinderachtig, zoo onaardig, en zoo inhumaan dan geestig te willen zijn door de ontleding van eens anders grappen. Dat behoort wel wat te veel tot de onaangename genoegens van onze dagen; maar ik wil er my niet aan bezondigen, en daarom heb ik niets tegen uw "bachantendienst," en uwe "vergoding van uitzinnigheid" en uwen "besmetten dampkring," maar alleen heb ik dit tegen u, dat gy laag op de kermis neerziet.
Vreugde is een aardig ding, mijn goede vriend! niet alleen om te smaken, maar ook om te zien. Jongens, gy moest eens een boerenkermis bywonen! Des namiddags het heele dorp en de nabygelegen gehuchten op de been. Honderd boerenwagens, honderd roodwangige boeren met zilveren haken in de broek en gouden knoopen aan den das, die een dikke kuit tegen den disselboom uitstrekken; en de boerinnetjens netjes uitgestreken in lichtgroen en donkerrood, met wapperende linten aan de stroohoeden, met al het goud dat zy hebben aan 't hoofd, en de onderom van het jak vooral niet lager dan de schouderblaren. Dan wordt er uitgespannen en men zit neder aan de lange smalle tafels op schragen van den kleinen herberg; "het Dorstige Hart," of "de Laatste Stuiver;" of men drentelt langs de kleine kraamtjens; of men schaart zich rondom de kleine loteryen van geschilderde karaffen en