Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/11

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

3

de tijd opgeeft; dat wisselt af: knikkers, stuiters, ballen, een spijker, een doorgebeten appel, een stukkend knipmes, een touwtjen, drie centen, een kluit vischdeeg, een dolle kastanje, een stuk elastiek uit den bretel van zijn oudsten broêr, een leêren zuiger om steenen met uit den grond te trekken, een voetzoeker, een zakjen met kokinjes, een grifjen, een koperen knoop om heet te maken, een hazesprong, een stukjen spiegelglas, enz. enz. alles opgestopt en in rust gehouden door een bonten zakdoek.

De hollandsche jongen maakt in 't voorjaar eene verzameling van eieren; in het uithalen van nestjens, geeft hy blijken van kracht en behendigheid, en misschien van den aanleg tot de zeevaart ons volk eigen; in het inkoopen van vreemde soorten, bewijzen van onstoorbare goede trouw; en in het verkwanselen van zijne doubletten, van vroegtijdigen hollandschen handelgeest. De hollandsche jongen, het is waar, slaat zijne bokken hardvochtig, maar in 't geven van roggebrood aan diezelfde dieren heeft hy zijns gelijken niet. De hollandsche jongen is veel minder ingenomen met de leerwijze van PRINSEN dan de hollandsche schoolmeester; maar wat de opvoeding der plakkers en paapjens betreft, hierin zou hy een examen kunnen doen voor den eersten rang. Hy is dolgraag op een paardenmarkt, en wandelt op de parade voor de tamboers uit, met den rug naar de mooie mannen toe. De hollandsche jongen encanailleert zich lichtelijk, en neemt spoedig over uit een woordenboek, dat de hollandsche moeders niet bevalt, maar hy heeft ook weinig aanmatiging jegens de dienstboden. Hy is gewoonlijk hoogrood, als hy binnen moet komen om aan oom en tante te vragen hoe zy varen, en spreekt by dergelijke gelegenheid byna geen woord; maar minder spaarzaam met woorden en minder verlegen is hy onder zijn gelijken, en niet bang om voor zijn gevoelen uit te komen. Hy haat lafaarts en klikkers met een volkomen haat; hy zal nog al eens gaauw zijn vuistjen uitsteken, maar spaart in 't vechten zijn party; hy speelt niet valsch; hy heeft een bestendigen inktvlak op zijn overgeslagen halsboord, en wel wat neiging om zijn schoenen scheef te loopen; — hy houdt zijn vader staande dat hy over ijs van één nacht loopen kan, en beschikt over vriezen en dooien, naar lust en welgevallen; hy eet altijd een boterham minder en leert eene les meer, dan waar hy trek toe heeft; hy gooit een steen tienmaal verder dan gy of ik, en buitelt driemaal over zijn hoofd zonder duizelig te worden. —

Gegroet, gegroet, gy vrolijke en gezonde, lustige en stevige knapen; gegroet, gegroet, gy speelsche en blozende hoop des vaderlands! Mijn hart gaat open als ik u zie, in uwe vreugde, in uw spel, in uw uitgelatenheid, in uw eenvoud, in uw vermetelen moed. Mijn hart krimpt toe, als het bedenkt wat er ook van u worden moet. Of zult gy, die