103
vertooningen, waarvan zich hun ziel een geheel gevormd heeft, dat zy zweeren zouden dat hun ondervinding was. In 't geheel niet; het maakt juist dat zy nooit ondervinding krijgen, nooit zullen zoeken, en dus ook nooit zullen vinden; dat zy nooit zichzelven, nooit hun tijd, nooit de menschen doorschouwen zullen, en van alles slechts een negatief begrip hebben: "Het is dit niet, het is dat niet;" even als zoo menig recensent, die den titel van een boek leest, en zegt: "het zal, het kan, het moet dit of dat wezen!" — liever dan te vragen: "wat is het? " "Het is mijn mooi niet, " zegt iemand, en draait zich af van mooi GUURTJEN. Maar lief LIJSJEN dan? — "Ook niet." Maar blonde BARTJEN, maar GEERTJEN, maar DUIFJEN? maar het geheele alphabet? "Geen van allen." Mag ik weten wat mijnheers mooi is? Mijnheers mooi is een onbepaald, een zwervend, een schemerend ideaal, saamgesteld uit twintig diverse engelsche staalgravures en vijftig steendrukken van GREVEDON, met en benevens vijftig beschrijvingen van mooie actrices en maitresses uit feuilletons en mémoires. Nu was het toch beter en genoegelijker, het hollandsche mooi in het hollandsche gezicht te zien, en het hollandsche genoegen in den hollandschen lach, en den hollandschen aart in het hollandsche hart, en de hollandsche poëzy in de hollandsche vormen, daden en toestanden, beter dan al die knorrigheden en verdrietelijkheden en gemaaktheden, waarmee men heel wat figuur schijnt te maken, maar groot gebrek aan waren wijsgeerigen of dichterlijken zin betoont.
Zoo is het vooral met het smaken der genoegens. 't Zou toch wel raar wezen, AUGUSTIJN! dat dingen, die voor jaar en dag voor genoegens in de wieg gelegd zijn, en sints jaar en dag voor genoegens aangenomen, geheel en al haar bestemming zouden misloopen, en de volkomen ongeschiktheid hebben om menschen met goede gewetens vrolijk en gelukkig te maken. "Anderen wel " — zegt ge — "maar my niet!" en waarom niet? Omdat de schuld aan u ligt, zou ik denken. Dat is het geluk der kinderen, dat ze niet onderzoeken of beproeven, of er ook een verdrietige kant is aan hetgeen hun voor genoegen wordt aangerekend; of het de moeite vaard is in hun schik te zijn. Een vlieger oplaten — plaisir hebben; een zak vol knikkers — plaisir hebben; uit rijden gaan, een dag vacantie, een avond opblijven ― plaisir hebben, ziedaar hun logica. Als men ouder wordt is het: kan, moet, zal, wil, durf, denk ik, door dit of veeleer door dàt, geheel of gedeeltelijk, of te kort of te lang, of waarachtig of schijnbaar, genoegen, ware vreugde, genot, of slechts tijdpasseering te hebben; — of is alles maar illusie? Dat moet niet wezen: dat is goed als men oud en af is. Maar wie geeft u en uw gelijken het recht alles dooreen te warren, en over jongelingsgenoegens met een mannenhoofd te redeneeren, als of niet ieder wijs man den jongeling zijne