Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/114

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

106

een onweerstaanbare aanvechting te doen blijken om hun das los te maken, terwijl zy u met uitpuilende oogen aankijken; maar ook de schepsels hebben het kwaad. Dikke mannen, en dikke vrouwen van dit wareldrond! het zij gy in de laatste jaren uwe kniën en voeten nog hebt kunnen zien, of dat gelukkige punt van zelfbeschouwing reeds lang hebt moeten opgeven; wie ter wareld met uw embonpoint, uwe presentie, uwe corpulentie, spotten mogen — in HILDEBRANDS boezem klopt voor u een medelijdend hart!

Onder de gezette personen der nieuwere tijden verdiende, schoon niet eene eerste, maar toch ook eene plaats de heer Mr. HENDRIK JOHANNES BRUIS; een dier bevoorrechten, wie het nooit gebeuren mag een heel oude kennis te ontmoeten, zonder dat het eerste woord tot hem is: "Wat ben je dik geworden!" terwijl een iegelijk, die in veertien dagen het geluk niet gehad heeft hun aangezicht te aanschouwen, hun verklaart dat zy "alweer dikker geworden zijn;" een dier gelukkigen, die door duizend wenken van hunne bloedverwanten, vrienden, en vooral van hunnen arts, duidelijk merken, dat zy onder de sterke verdenking leven van aan een beroerte te zullen sterven; en die met dat al door hun gestel genoopt worden, al dat gene te doen, te eten, en te drinken, wat volstrekt schadelijk is, dikker maakt, opstijging veroorzaakt, en het bloed op alle mogelijke wijzen aanzet; een dier gelukkigen, die, zoo zy het des zomers warm hebben door zwaarlijvigheid, het winter en zomer warm hebben door drift, opvliegendheid en agitatie.

De heer en Mr. HENDRIK JOHANNES BRUIS bewoog zich op bovenbeschreven brandendheeten vrijdag achtermiddag, omstreeks klokke vijf ure, langs een der straten van de stad die ik niet genoemd heb; en zulks, de hitte des dags en zijn postuur in aanmerking genomen, veel te snel. Hy hield in de eene hand zijn hoed, en in de andere zijn geelen zijden zakdoek en zijn bamboes met ronden ivoren knop, met welken knop hy zich verscheidene malen in schutterige beweging tegen 't hoofd stiet, als hy den zakdoek gebruiken wilde. Achter hem aan huppelde een kleine straatjongen, die 's mans overjas en valies over den arm droeg; zonder hoed of pet op 't hoofd; met een blaauw buis, met een zwarten lap in den eenen en een grijzen in den anderen elleboog, en waarvan de eerste knoop (een zwartbeenen) werd vastgehouden door het vierde knoopsgat, terwijl de tweede (een geelkoperen) die op de plaats der vierde stond, door het zesde werd bedwongen. Hy was zoo gelukkig in dezen warmen zomertijd geen kousen te dragen, als aan den ingang zijner klompen, en nog daarenboven hier en daar merkbaar was.

Nu, waar is het nu, jongen? waar is het nu?" vroeg de heer Mr. HENDRIK JOHANNES BRUIS ongeduldig.

"Dat eerste huis met dat platte stoepie," andwoordde de jongen, "de tweede deur voorby den spekslager; naast dat huis, daar die spiegeltjens uitsteken."