108
"De doctor ook niet?"
"Neen, mijnheer."
"Mevrouw ook niet?"
"Neen, mijnheer; ik zeg je ommers dat ze der allemaal uit zijn."
"Waar zijn ze dan naar toe?"
"Dat weet ik niet, mijnheer! Ze zijn allemaal uit; en de meid is alleen t'huis."
"Waarom doet de meid dan niet open?"
"Wel omdat ze der niet in is, mijnheer."
"En je zegt, ze is thuis?"
"Ja, maar daarom kan ze der wel niet in zijn," zei de juffrouw, sloot haar bovendeur, eu zulks met te meer haast, omdat haar witte poes zich juist gereed maakte over de onderdito te springen, en liet den heer {{asc|BRUIS}] alleen, om, indien hy wilde, in stilte te gissen naar het verschil der termen "thuis" en "er in." Hy zou, indien hy er geduld toe had gehad, begrepen hebben, dat "thuis te zijn" eene plicht was der meid door de familie DELUW opgelegd, waarvan "er in" te zijn, naar hare eigene uitlegging, slechts een klein gedeelte uitmaakte. Om dit op te helderen, kwam er eene stem uit een schoenmakers pothuis aan den overkant.
"Ze bennen in de toin," riep de stem, en de maid is om een boôschap. Daar komt ze al an."
Het voegwoord al had in dezen volzin, naar het oordeel van den heer BRUIS, gevoeglijk kunnen gemist worden; maar werkelijk zag hy een niet onaardige meid aankomen, met een grooten sleutel in de hand, en zoo gaauw als zy, zonder in den draf te vervallen, gaan kon; zy kwam den stoep op, schoot ZEd. voorby, sloot met voorbeeldelooze gezwindheid de deur open, en stond voor hem op de vloermat:
"Wou u menheer gesproken hebben?" vroeg de meid.
"Ja, maar menheer schijnt niet te huis te zijn."
"Neen, menheer; menheer, en mevrouw, en de juffrouw, en de jongeheer en al de kinderen zijn "buiten", en ik ben maar alleen thuis om op de boodschappen te passen."
Nu, de heer BRUIS had gelegenheid gehad om zich gedurende een groot kwartier te verlustigen in de naauwgezetheid waarmede deze doctorsmeid, die intusschen een lang discours gevoerd had met de dochter van een fruitvrouw, die uit naaien ging en voor een opgeschoven raam zat, zich van deze hare plicht kweet. Hy had evenwel te veel haast om verwijten te doen.
"Waar is buiten?" vroeg hy: is het ver? waar is het?"
"In de Meester Jorislaan," andwoordde de meid.
"De Meester Morislaan," — zei BRUIS met de alleruiterste verachting. "Wat weet ik van de Meester Morislaan?"
Daar was, naar het gevoelen der meid, meer aanmatiging in de