4
daar beurtelings een frisschen beet uit een zelfden appel doet, in later jaren nooit gewaar worden dat het noodig is, den appel in een hoek te nemen, en alleen op te eten; ja, de schillen weg te stoppen, en de pitten te zaaien voor uwe nakomelingschap? En gy die daar geduldig uw sterker rug leent aan uw vlugger vriend, die zich op uwe schouders verheft om in den boom het spreeuwennest te zoeken, dat heel hoog is: zal de ondervinding u de verdrietige wijsheid onthouden, dat het beter is zelf een ladder te krijgen, en zelf het nest uit te halen, dan een goede dienst te doen, en af te wachten òf, en hoe men u zal beloonen?
Dat is de wareld. Maar ook in uzelven zijn de zaden aanwezig van veel onheils en veel verdriets. Uwe voortvarende drift, uwe onschuldige tederheid, tot opvliegendheid, eerzucht, en wellustigheid gerijpt; uwe levendigheid en onafhankelijk gevoel, tot wareldzin en ongeloof verhard!... O, als gy in later jaren op uwe kindschheid terugziet, dat, dat zal de vreugde wezen, die gy het meest benijdt, en toch nu het minste geniet, dat gy zoo veel minder boos waart, dat gy zoo veel onschuldiger waart tot zelfs in het kwaaddoen toe. De goede hemel zegene u allen, goede jongens, die ik ken, en rondom my zie, en lief heb! en doe u lang en vrolijk spelen; en als de ernst des levens komt, zoo geve hy u ook een ernstig harte daartoe. Maar hy late u tot aan uw laatsten snik nog veel kinderlijks en jeugdigs behouden. Hy spare u, in hunne volle frischheid, eenige dier kinderlijke gevoelens, die den jongeling helpen in het zuiver houden van zijn pad, en den man versieren; opdat gy mannen wordende in het verstand, kinderen blijft in de boosheid. Dit is een stille wensch, jongenslief! want ik wil u nog geen oogenblik van priktol of hoepel aftrekken, zonder u voor die vreugde iets anders te kunnen geven dan... een wensch! —