114
zoon, die, ondanks het gunstig gevoelen door zijne moeder omtrent zijn gehoorzaamheid geuit, geen voet verzett'e, de koepel uit, in het nevenvertrekjen, waar hy hem in het turfhok opsloot.
"Neem me niet kwalijk, mijnheer!" zei mevrouw DELUW middelerwijl op hare beurt tot den binnengekomene; "ik ben zoo van me streek; ik ben mezelve niet." En om het te bewijzen viel zy op een stoel neder.
"Ik geloof dat het best zal wezen als ik eens in de lucht ga," ging zy voort.
"Gêneer u niet, mevrouw," zei de uit zijn koets gevallen academievriend van haar echtgenoot. En zy ging naar buiten, met het snikkende kind nog altijd hangende aan haar japon. De jonge heer DELUW, met de bleeke wangen en de blaauwe kringen, bleef alleen met den heer BRUIS, en keek hem met impertinente blikken aan.
"Ik zal die burenplagers wel krijgen," zei doctor DELUW weer binnenkomende; daar hy het noodig achtte voor den vreemdeling de misdaad te noemen van zijn zoon, opdat deze hem niet voor een onrechtvaardig en hardvochtig vader houden zou. "Mag ik vragen?"....
"Buikjen!" riep de goedhartige dikkert, met een gullen lach op zijn purperen wangen. Nu, het woord buikjen, als diminutief van buik, is een zeer bekend woord; althands voor een geneesheer. Echter kwam het dezen geneesheer, uit den mond van een vreemdeling, in dit oogenblik vrij ongepast voor. Daarom zett'e de heer Dr. DELUW groote oogen op.
"Buikjen!" herhaalde de heer Mr. BRUIS. De heer Dr. DELUW dacht dat hy een krankzinnige voor zich zag, en daar hy pas zeer boos was geweest, stond hy op het punt om het weder te worden, daar het toch in ééne moeite door kon gaan, en hy het waarlijk anders zeer zeldzaam en met veel moeite werd.
"Wat belieft u, mijnheer?"
"Wel, hebje dan niet met Buikjen gegeten?"
De heer Dr. DELUW herinnerde zich geen ander eten dan met zijn mond. Hy trok de schouders op.
"Hy is zeker in dien tijd nog vrij wat gezetter geworden. Zwarte Daan!" zei de dikke man opstaande van den stoel, waarop hy gezeten was.
"BRUIS! " riep eensklaps Dr. DANIEL DELUW uit. Dat 's waar ook, ik heette Zwarte Daan, en jy heette Buikjen; ik zou je niet gekend hebben, man! Wat benje veranderd; samen gegeten; welzeker, welzeker; in de Plaisierige Sauskom;" maar den toon van vroegere gemeenzaamheid eensklaps latende varen; "wat mag ik u aanbieden, heer BRUIS?"
De uitdrukking "heer BRUIS" was ongetwijfeld een middending tusschen kortweg "BRUIS" als vroeger, en mijnheer als nooit.
"Waar is mijn vrouw, weet u dat ook?" vroeg de doctor.
"Ze is een weinig van haar streek," zei BRUIS, "en daarom is ze eens in de lucht gegaan."