VERRE VRIENDEN.
Het is een onbeschrijfelijke gewaarwording en een geheel eigensoortig genoegen, een vriend uit verre landen na langdurige scheiding weder te zien. Ik heb het eens in vollen nadruk gesmaakt. Geheel onverwacht trad er my een onder de oogen, wien ik voor toen ruim vijf jaar met vele tranen had vaarwel gezegd, en van wien ik sedert maar weinig had vernomen. Het was ANTOINE — van Konstantinopel. Een eerwaardige afstand, van hier tot den Hellespont, lezer! en die ik hoop dat u met eerbied voor ons beiden vervullen zal; me dunkt althands dat het my zeer belangrijk maakt, zoo ver van huis een vriend te hebben, en toch ik zag ljever alle mijne vrienden binnen de grenzen van dit goede Holland!
Om de waarheid te zeggen, het behoort onder de domme streken mijner jeugd, dat ik zoo dikwijls met vreemdelingen in vriendschap ben vervallen; gelijk ik het dan ook, door ondervinding wijs, iedereen die een gevoelig hart in de borst heeft, stellig afraad; want! vroeger of later, slaat hun uur, en zy vertrekken, de een vóór, de ander na, naar de vier hoeken des winds; zonder iets achter te laten dan een treurig herdenken, en een albumblaadtjen. Ik heb vrienden in Engeland, vrienden aan den Kaap, vrienden in Turkye, te Batavia, in Demerary, in Suriname! Met enkelen, de dierbaarsten, houd ik een geregelde briefwisseling, maar wat zijn brieven op zulk een verren afstand? Zy kunnen ons de betrekkingen en toestanden, waarin onze vrienden verkeeren, niet duidelijk maken! Van anderen heb ik, na het eerste bericht van behouden thuiskomst niets meer vernomen. De meesten zal ik nooit wederzien; zy zijn, ongestorven, dood voor my. Velen weten niet eens dat ik somtijds en met innige liefde aan hen denk; en ik zou wenschen, dat HILDEBRAND wareldberoemd ware, en dit zijn boek overal verspreid en gelezen, opdat zy dit ten minste weten mochten!
Neen! ik had het nooit moeten doen. Welke goede jongens zy ook waren; hoe verlokkend hun omgang, hoe belangrijk hun verkeer, hoe innemend hunne manieren, hoe met mijn smaak overeenkomstig hun smaak ook zijn mochte, ik had hen op een afstand moeten houden; ik had mijn hart beter moeten bewaken; ik had, zçodra ik een enkel zaadtjen van vriendschap voelde kiemen, het moeten onderdrukken, en tegen mijn gevoel te velde trekken, zoo als een verstandige molenaarsdochter