Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/13

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

KINDERRAMPEN.

Ik kom nog eens terug op het versjen van HÖLTY:

Hoe zalig als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dan is het hemel in de ziel,
En alles even blijd.

Niets, niets ter wareld doet hem aan,
Of baart hem ongemak,
Dan stuiters, die te water gaan,
Of ballen over 't dak.

Het ontbreekt zeker niet aan dergelijke lofredenen op het geluk der jeugd en kindsche jaren. Ik stem er van harte meê in; maar ik neem de vrijheid te mogen opmerken, dat ze alleen door menschen van jaren of ten minste door jongelingen geschreven zijn, van wier standpunt gezien het kinderlijk geluk byna geen uitzondering toelaat. En zeker, zeker dat is een droevig bewijs voor den treurigen toestand van later dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjens geweest zijn van zeven, acht, of negen jaar, die hun actueel geluk zoo onvoorwaardelijk hebben geprezen. En toch dezulken waren er de naasten toe. Toen ik op de hollandsche school ging, maakten wy in de hoogste klasse, bestaande uit heeren van negen à tien jaar, allen des woensdags voormiddags een opstel, soms over een gegeven, soms over een door onszelven gekozen en uitgedacht onderwerp. Maar ik roep al de Jannen, Pieten, Willems en Heinen, waarmee ik in de Jacobijnenstraat te H. op de banken zat, tot getuigen, of er ooit iemand geweest is, die zijn lei volgeschreven heeft met een optelling der genoeglijkheden, of een uitweiding over 't ongestoord geluk des kinderleeftijds. Neen, wy schreven wel diepzinnige vertoogen over de Deugd of over de Vier Jaargetijden; SANDER U., wiens vader adjudant van een Generaal was, heeft zesmalen over het paard geschreven: en PIET Q. die nooit ор het bord stond, en nooit meê doen wilde in de edele exercitie van het puistjen vangen, had het altijd over de Gehoorzaamheid en over de