Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/134

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

126

door den azijn gehaald was. Hy was in zevenentwintig dagen van Marseille tot Konstantinopel overgekomen. De pest en de cholera waren een weinigjen vóór hem gearriveerd; Pera was juist afgebrand, en het huis zijns vaders in de asch gelegd. Hy had zich daarop naar diens buitenplaats gespoed. Niemand had hem herkend. Hy had zich by zijn eigen vader voor een vriend van diens jongsten zoon uitgegeven, die hy zelf was, en bracht berichten omtrent hem meê. Hy wist natuurlijk alles zeer naauwkeurig. Aan tafel zat hy op de plaats der eere, naast zijne stiefmoeder. Zijne zusters waren schoon, en zijn vader vond zijn toon met haar kennelijk wat te vrij voor een vreemdeling. Op het dessert had hy zich met een toast en vele tranen bekend gemaakt. Van het land hing hy my geen aanlokkelijk tafereel op; het was veel te mooi voor de turken; de franken waren er trotsch; de meisjens lui, niet mooier dan ergens anders, onbeschaafd, en van niets sprekende dan van de keuken, van tijd tot tijd aan de liefde offerende, en hare kinderen op straat verlatende. Hy verzuchtte naar Holland en zijne vrienden. Ik troostte hem met een brief, dien hy nooit ontfangen heeft, en onze correspondentie ging te niet. Daar stond hy eensklaps voor my, na eene afwezigheid van vijf groote jaren, een geheel ander en toch dezelfde. Hy had Rusland, Duitschland, Frankrijk, Belgie en Engeland, zoowel als de Levant doorreisd en doorkropen, maar hy was toch ANTOINE gebleven; zijn gelaat en zijn gemoed waren niet veranderd. Van geslacht een italiaan, van vaderland een turk, van moedertaal een franschman, van opvoeding een hollander, van geloof een catholiek, en van hart een goede jongen. Doch hoe verrijkt aan inzicht, kennis, wareldburgerschap, en ondervindingen! Hy sprak behalven fransch en hollandsch, als vroeger, nu ook de talen van al die landen die hy had bezocht. Wy voerden 't gesprek meest in 't engelsch, of in 't fransch; want zijn hollandsch had hy wel goed onthouden, maar hy had zoo veel te zeggen waaraan hy nooit in 't hollandsch had gedacht. Zijn hollandsch was niet rijker dan 't vocabulaire van iemand van zeventien jaar. Hy was nu tweentwintig. Hy had aangezeten met turksche bassa's, en het hof gemaakt aan russische princessen; hy had rozenolie, juweelen, opium en pastilles aan poolsche joden verkocht; met duitsche gravinnen gedanst; met fransche incroyables gespeeld, en met dikke lords toasten ingesteld; hy had zeën doorkruist, ijzerbanen overgevlogen, kou en hitte getart, quarantaines gehouden, de liefde gekend, de pest ontvlucht, en den dood onder de oogen gezien; maar daar zat hy in onze nederige tuinkamer geheel dezelfde in oogen, hartelijkheid, goedwilligheid, heuschheid en vriendschap, als toen ik voor vijf jaren in zijn album schreef:

Geen grootspraak op dit blad, geen duurgezworen eeden.
Die overbodig zijn, of ongemeend meestal!
Maar laat mijn naam alleen een plaats er op bekleeden;
Die al mijn vriendschap u gewis herinren zal.