128
op te biechten, ondervindingen op te vijzelen, en elkander om strijd te verbazen, hield op. Nu volbrachten hart en herinnering hunne verrichtingen geregeld, want de abnormale toestand van beiden ontspande zich. En zelden smaakte ik zoeter uren dan die, waarin wy elkander in onzen wederzijdschen levensloop met oprechtheid inleidden, en de heerlijke ontdekking deden, dat er na een groot tijdsverloop en uiteenloopende ondervinding, veel gelijkheid van beginselen en gevoelens in onze ziel was blijven bestaan.
En indedaad, hy moet zich mijner dikwijls herinnerd hebben, want hem was niets vergeten. Hy wist allerlei kleinigheden, allerlei bykomstigheden op te halen, die hy niet zou hebben onthouden indien hy my minder had lief gehad. De geheugenis toch van kleine te zamen gesmaakte genoegens (ja van de groote en meer innige zelfs) vergaat, verteert, en verdampt in den wind onzer verstrooiingen, onzer bezigheden, onzer studien. Het vuur onzer driften verbrandt ze in ons hart, of het ijs onzer bezadigdheid bevriest ze; de wareld lost ze op in den rusteloozen vloed van aandoeningen en ondervindingen die er over heen stroomt, of onze dartelheid, onze trots, en dat in ons, wat wy wer uitgroeien noemen, vernielt en verdoet ze moedwillig, tenzij wy ze balsemen met de geurige zalve onzer liefde!
De volgende dag was voornamelijk aan de vreugde der erinnering gewijd. Wy gingen wandelen. Onze meeste genoegens hadden wy buiten gesmaakt. De jongensvriendschap is eene veldnimf; ons had zy aan heldere beekjens, in dichte bosschen, en vooral op de blanke duinen omgeleid. En deze tooneelen hadden de minste verandering ondergaan. Wel kwamen wy hier en daar waar het niet was als vroeger, waar wy een aanleg niet herkenden die verlegd was, of een brug niet vonden waarop wy hadden zitten hengelen, of een bosch zagen omgehakt, met de namen onzer schoonen en al in de stammen, — en het was eene onaangename teleurstelling; ja ik schaamde my haast voor mijne landgenooten, die de verandering hadden teweeggebracht. En toch wil ik wedden dat mijn vriend evenmin voldaan zou geweest zijn, indien hy alles volkomen in dien staat gevonden had, waarin hy het had gelaten. Want ook dan zou hy het werkelijk anders gevonden hebben dan hy zich had voorgesteld. Wy menschen denken ons in afwezigheid het achtergelatene zoo stéréotype niet, en vooral niet als wy zelf zeer bewegelijk zijn, en alles in onze nabyheid zien veranderen, vervallen en vernieuwen. Ook heeft het iets stuitends voor ons gevoel, dat alle oorden, plaatsen en dingen, als wy er niet meer zijn, volkomen blijven kunnen, zoo als zy waren, toen wy ons in hun midden bevonden; en het wekt een soort van wel onbillijke, maar toch van verontwaardiging op, dat zy zich volstrekt niet aan ons aanzijn of wegzijn storen, en veel standvastiger en veel beter gegrond zijn dan wyzelf! eene verontwaardiging niet