Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/137

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

129

ongelijk aan die, welke een min of meer bestoven vriendenkring gevoelt voor een doodnuchteren gast.

Zoo er onder mijne verre vrienden zijn mochten, die dit lezen en niet gelooven, weet ik er niet beter op dan dat zy er zich van komen overtuigen. Hoe het in hùnne harten is weet ik niet; maar ik dwaal dikwijls in verbeelding en in werkelijkheid rond, en bezoek de plaatsen die wy te zamen zagen, en herinner my menig genoegelijk uur, en menig vertrouwelijk gesprek, en menige vurige betuiging en openhartige belijdenis. Ik spreek van hen met dezulken die hen gekend hebben, en wek by allen die my dierbaar zijn de lust op óm hen te kennen; ik doorblader hun geliefkoosde boeken en herlees de bladzijden, die wy te zamen lazen; ik zoek hunne namen in mijn dagboek, dat menig opgeschrevene byzonderheid behelst, die er duizend niet opgeschrevene voor mijn geest terugroept; ik houd de kleine souvenirs die zy my malieten in hooge waarde. Mijn gedachte houdt hen allen byeen, als in een stevig snoer. Broeders! wy zijn ver uiteengespat op de wareld; bergen en zeën scheiden ons en blijven ons scheiden, en het is slechts een enkele uwer, dien ik eenmaal en met innige vreugd mijner ziel weder mocht zien; voor de meesten heb ik die zoete hoop opgegeven. Ieder onzer heeft zijn eigen loopbaan vóór zich, en zijn eigene dierbaren rondom zich, en menigen nieuwen vriend, die menigen ouden heeft vervangen; en boven ons allen, in het oosten en het westen, in het zuiden en het noorden, welft zich dezelfde blaauwe hemel, en waakt dezelfde Voorzienigheid! Zy zegene een iegelijk uwer. Gedenkt mijner.