139
Kennismaking met menschen en dieren.
Eenigen tijd na de ontfangst van dit "reukoffer," hetwelk mijne vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor my in geur te doen opgaan, zat ik op een regenachtigen octobermorgen, waarop ik juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt, toen zich beneden my een buitengewoon gestommel hooren deed.
"Nog al hooger?" vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende; "drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, 't is hier suffisant donker, hoor! Ik ben een kuiken als ik zien kan!"
Het is niet met zulk eene vrijmoedige luidruchtigheid dat zich de kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen gestrande portefeuilles, of de professeurs van onbekende lycéën die tijdstroomen aanbieden, of de doorgevallen kruideniers die uit hunne verbrande pakhuizen niet anders hebben gered dan eene mooie party zeeuwsche chocolaad van duizend A's, of de goedkoope portraiteurs en silhouettenmakers die de eer hebben gehad uw besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars die voor een spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken, waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op den hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk eene vrijmoedige luidruchtigheid, dat opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene listige wijze by de studeerende jeugd indringt, om op haar medelijden, onervarenheid, of bloôheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te bieden; want indien zy geen fransch of duitsch of luikerwaalsch spreken om uwe hospita te overbluffen, dan nemen zy de beleefdste, beschaafdste, en tevredenste houding der wareld jegens haar aan; en wat den trap betreft, zy veinzen niet zelden er ten volle mede bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in eene stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik my by voorraad een vreemd gezicht te zullen zien.
De deur ging open, en er trad een welgedaan heer binnen, die een goede veertig jaar oud mocht zijn. 's Mans gelaat was juist niet hoog fatsoenlijk, maar de uitdrukking er van was byzonder vrolijk en joviaal. Zijn verbrande kleur verried de warme luchtstreek. Hy had levendige grijsblaauwe oogen en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn hair waarin op de kruin een aanzienlijk hiaat begon te komen, was reeds hier en daar, naar de uitdrukking van OVIDIUS, met een weinig grijs doorsprenkeld. Hy droeg een groenen overrok, dien hy oogenblikkelijk losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart pak kleederen met een satijn vest, waarover een zware gouden halsketting tot beteugeling van zijn horloge. In de hand hield hy een fraai bamboes met barnsteenen knop.