140
"KEGGE!" riep hy my toe, toen ik verbaasd opstond om hem te groeten. KEGGE! de vader van WILLIAM. Ik ben gekomen om u, het museum, en de burcht te zien, en als je dan meê naar mijn huis wilt gaan, zul je me drommels veel plaisir doen."
Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den naam ontroerd. Ik beken, dat ik zelden meer aan den goeden WILLIAM dacht, maar eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den mond van den beroofden vader, deed my aan. Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden vriend voor my te zien.
"Ja," zei de heer KEGGE, zijn horloge uithalende; het was jammer van den jongen, hè! 't Moet een goeie karel geworden zijn. 't Spijt me in mijn ziel." En het gordijntje openschuivende voegde hy er by: "Je woont hier duivels hoog, maar 't is een mooie stand; dat heet hier de Breestraat, doet het niet?"
"Hier schuins over woonde WILLIAM; dáár, waar nu die steiger staat."
"Ei zoo, dan was je na buren! Ja 't is jammer, jammer, jammer! Sakkerloot, is dat het portret van WALTER SCOTT? Lees je engelsch? Mooie taal, niet waar? Zou ik hier een compleete editie van WALTER SCOTT kunnen krijgen? Maar ze moet wat mooi, wat kostbaar zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn kinderen hebben er al één half verscheurd." En al weder op zijn horloge ziende: "Hoe laat gaat dat museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooiebeestenspel toe. Kan ik de academie ook zien? Wat hebje al zoo meer?"
Op dien regenachtigen octoberdag zag men HILDEBRAND met een vreemdeling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten in het museum van natuurlijke, en daarna de doode Farao's in het museum van onbekende historie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik te werpen op de kindertjens die nooit geleefd hebben der Anatomie, en daarna op de portretten der doode professoren, die eeuwig leven zullen, op de senaatskamer, "van SCALIGER met den purperen mantel af" tot op BORGER met den houten mantel toe; waarvan er echter ettelijke den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een weinig verscheidenheid daar te stellen, bezochten wy daarop de burcht die zelf een lijk is, vroeger bewoond door de Romeinen, ADA, en die Rederijkerskamer waarvan zoo vele geniën lid waren. Ten slotte zagen wy ook nog den sineeschen en japanneeschen inboedel by den heer SIEBOLD, en rustten eindelijk uit in de societeit Minerva, toen nog geschraagd door "den dubbelen zuil" van dien broederlijken zin, die sedert roekeloos verbroken is. Wy aten daarop aan de openlijke tafel in de Zon; en het was aldaar dat de heer KEGGE de algemeene verbazing en zelfs de volkomene verontwaardiging van een zeer lang heer tot zich trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayenne peper, die hy uit een opzettelijk daartoe omgedragen ivoren