Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/149

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

141

kokertjen op zijne spijzen schudd'e; en door zijne volstrekte verachting van bloemkool en bordeaux wijnen, waardoor ik genoodzaakt werd een flesch port met hem te deelen.

Na het diner vertrok ZEd, per diligence; evenwel niet dan na my de belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden zijnde candidaatsexamen, zonder fout, een paar weken by hem zou komen doorbrengen; als wanneer hy my aan zou toonen hoe hy gewoon was menschen te ontfangen, en hoe goed zijn kelder was.

"Als je studeeren wilt," zei hy: ik heb een mooie portie boeken; en is er wat nieuws uitgekomen van BULWER of zoo iemand, breng het voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!"

Een paar weken daarna kreeg ik een brief van herinnering aan deze mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot westindische confituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep, uit vele schijven rhabarber en groote stukken hengelriet, in quintessence van suiker ingelegd. De heer KEGGE melde my dat "zijne vrouw en dochter, welke laatste, tusschen twee haakjens gezegd, een mooie brunette was, van verlangen brandden om my te zien."

Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee spaansche hazewindtjens, ten huize van den heer JAN ADAM KEGGE.


De kamer, waarin ik my bevond, leverde een schouwspel op van de weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuislijk 'aanzien hadden van splinternieuw te zijn. Een breede, veeloctavige pianoforte stond opengeslagen, en lag bevracht met een aantal boeken, een hoop dooreengeworpen muziek, en een guitaar. Een gladhouten muzijkkastjen stond open, en een der spaansche hazewindtjens vermaakte zich een weinig met dat gedeelte van den inhoud hetwelk niet op den piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltjen stond beladen met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, renkflesschen, handvuurschermen, magots, kinkhorens, cigarenbusjens, en kostbare plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde metaal rustte op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op een trumeau onder een reusachtigen spiegel daartegenover zag men een groep van de schitterendste opgezette vogels, met spitsche bekken en lange staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen kleinodiënschrijntjen stond er half geopend naast. In de vier hoeken der kamer prijkten vier zwaarvergulde standertkandelaars. Het vloertapijt was van gloeiend rood geweven. De neteldoeken gordijnen waren met oranje en lichtblaauwe zijde overplooid. Gelijk bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huishoudkamer aan den wand de levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw; mijnheer in een almaviva met een