146
lijk. In deze lade zijn platen; al wat je hier ziet is meestal in Engeland gekocht, en nu completeert HENRIET het zoo wat. Ik kan me met die snarenpijpery niet altijd ophouden. HENRIET heeft twee jaar te Arnhem school gelegen. Maar toen zijn we in ' t land gekomen, en hebben haar thuis gehaald; ze was te groot; en ze moet nu zelf maar verder haspelen. Engelsch kon ze al, en als je in twee jaren geen fransch kunt leeren, dan leer je 't nooit. Dat lange schoolgaan — allemaal gekheid. Ik laat geen van mijn kinderen meer schoolgaan, ze krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs en gouvernantes wil ik niet onder mijn oogen zien. En wat de meisjens betreft: mijn vrouw verstaat geen woord fransch, en toch heeft ze elf kinderen gehad, weetje.... Zie je dien opgezetten tijger? dien heb ik zelf op mijn suikerplantaadje geschoten. De deugniet had al driemaal een kalf komen weghalen."
Wy gingen verder, en in den tijd van een half uur had de heer KEGGE my al de kamers van het geheele huis, de tuin, den stal en het koetshuis laten zien, alles onder even drukke en schutterige gesprekken; waaruit het my meer en meer bleek dat de heer JAN ADAM KEGGE zeer ingenomen was met zijn rijkdom, zijne kinderen, en zichzelven. Hy scheen er volkomen van overtuigd te zijn dat hy een onuitputtelijk fortuin had en dat hy "een perfecte goeie karel" was: tienmaal beter dan alle mogelijke "groote hanzen en adelijke heeren," en volkomen gerechtigd om alle wareldsche zorgen en convenances met zijn lievelingsuitroep af te doen: "allemaal gekheid!"
Toen wy alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal. HENRIETTE verscheen er in een japon van blaauwe zijde, die haar niet volkomen zoo goed stond als haar witte negligé. Ik had de eer tusschen haar en mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer zat over my, en de kinderen schaarden zich naar goedvinden. By het couvert van den oudsten, die trouwens ook al tien jaren telde, stond een karaf met wijn, zoo goed als by het mijne. Aan het eind der tafel stond nog een stoel ledig, en toen wy allen gezeten waren, kwam er een kleine magere vrouw binnen, nog veel bruiner dan mevrouw KEGGE. Zy kon omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te voorschijn komende grijze hairen deden vermoeden; valsch hair droeg zy niet. Zy was in het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden neusdoek van hoogroode oostindische zijde. Achter haar ging een schoone lange hond, die zoodra zy plaats genomen had zich by haar stoel nederzette, en zijn kop in haar schoot lei, waarop zy hare bruine hand rusten deed. Er was iets indrukmakends in deze verschijning, schoon niemand acht op de binnenkomende sloeg. Men noemde haar grootmama, doch ik twijfelde soms of dit niet maar een naam was haar in scherts gegeven. Zij zelve sprak weinig en eenigzins gebroken, maar eenmaal zag ik haar veelbeduidend het hoofd schudden, toen de heer KEGGE vertelde dat hy den koop van