Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/156

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

148

Mevrouw zett'e zich in eene gemakkelijke houding op de sofa neder, wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd, en bereidde zich insgelijks tot de sièsta.

De schoone brunette en ik bleven dns zoo goed als alleen in de schemering, alleen verhelderd door de grillige vlammen van het lustig brandend kolenvuur. Zy zette zich in een vensterbank neder en betuigde er zich in te verheugen, dat zy na den eten zulk aangenaam gezelschap had.

Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een éénzaam schemeruurtjen ook zijn waarde heeft. Zy hield er niet van. Zy hield van veel licht; veel discours; veel menschen; en helaas, "voegde zy er by," er is hier volstrekt geen conversatie."

Ik verwonderde my over het verschijnsel van een stad met zoo veel duizend inwoners, zonder eenige conversatie.

"Ach," andwoordde HENRIETTE: "men moet denken, de menschen zijn hier verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coteries, waar men niemand in opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne met ons zouden omgaan, maar.., die conveniëeren ons weer minder."

Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad huisgezinnen die volstrekt niet geörienteerd zijn in hunne eigenlijke plaats en standpunt; familien zonder familie die den neus optrekken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren, maar verbaasd staan dat de eerste kringen hen niet met open armen ontfangen. Lieve menschen! van waar komt u deze aanmatiging? Moeten dan, mevrouw! omdat uw echtgenoot een ampt bekleedt dat hem tot het waterpas van zes zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes zeven vrouwen dier groote heeren terstond vergeten dat uw geboorte burgerlijk, uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt het u, rijke koopmansgade! dat de hooge kringen niet tot u zijn toegenaderd, naar mate uw echtvriend langzamerhand een grooter huis is gaan bewonen, zijne bedienden in liverei heeft gestoken, meerder paarden en misschien wel een heerlijkheid heeft gekocht? Moet dan, mejuffrouw! omdat uw vader met ettelijke tonnen gouds uit Oost of West terugkwam, en den achtbaarsten patricier, den besten edelman naar de oogen steekt door uiterlijke praalvertooning, die achtbare patricier, die doorluchtige edelman alle de uwen terstond de hand reiken, en u tot gade voor zijn zoon begeeren? Weet gy dan niet dat indien die kringen welke gy zoo verlangend zijt in te treden, zich voor u openden, gy in gestadigen angst zoudt verkeeren voor eene toespeling op uw vaders afkomst, eene hatelijkheid op uw aangewaaiden rang? Zou het niet veel beter zijn, indien gy u rustig aansloot aan den stand waartoe gy behoort, die even goed is als een hoogere, en waarin gy zoudt worden geëerd en ontzien? Moest gy niet veel liever de eerste onder de burgers dan de laatste, de by gedoogen toegelatene, onder de grooten zijn? Waarlijk ik begrijp my hunne terughoudendheid beter dan uwe eerzucht. Zy zijn