Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/161

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

153

"En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondtjens. Gisteren dineerde ik by den heer VAN NAGEL; nu, u weet wel dat freule CONSTANCE ook een aardig hondtjen heeft..."

"Ik weet het heel goed; het is een King Richard, " zei HENRIETTE, "een allerliefst dier."

"Niet waar, allerliefst en allercharmantst: maar toch het haalt niet by Azor en Mimi."

"Zou je dat waarlijk denken?" vroeg mevrouw met zichtbaar welgevallen.

"o Mevrouw!" andwoordde de heer VAN DER HOOGEN, geheel opgewondenheid: "het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten het te zeggen; freule CONSTANCE! zei ik, uw hondtjen is charmant, maar de hondtjens van mevrouw KEGGE zijn charmanter."

Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw KEGGE niet gezien; met een soort van geestdrift stak zy Azor en Mimi, die by haar op een tabouret lagen, ieder een klompjen suiker toe, en streelde hen dat hunne koppen blonken als spiegels.

De heer VAN DER HOOGEN richtte zich daarop tot HENRIETTE:

"Ik kan u zeggen, juffrouw HENRIETTE, dat de freule CONSTANCE jaloersch is van uw marabouts; zy heeft er u laatst meê in de kerk gezien. Gisteren zei ze: VAN DER HOOGEN, je kent immers de familie KEGGE? Ik andwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te zijn. Nu zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de marabouts van de freule. Het zijn allercharmantste marabouts; daarop volgde een heel gesprek over u."

"Waarlijk?" vroeg HENRIETTE, hare oogen ongeloovig tot hem opslaande. "Foei VAN DER HOOGEN! je houdt me een beetjen voor den gek."

"Dat is ondeugend van je," andwoordde VAN DER HOOGEN, insgelijks glimlachende. "Hoor je 't, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte soupçons!" Daarop trok hy zijn gezicht in een ernstigen plooi en vervolgde:

"Waarlijk, juffrouw HENRIETTE, het is jammer, heel jammer, datje die menschen niet ziet. Het is een charmant huis. De freule CONSTANCE is waarlijk allercharmantst.""

"Ik weet niet, VAN DER HOOGEN! maar ik geloof stellig dat er iets bestaat tusschen u en die freule CONSTANCE!" merkte HENRIETTE aan; en zy lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met de meest mogelijke coquetterie in de oogen.

De heer VAN DER HOOGEN had er, wed ik, zijn mooie handschoenen voor willen verbeuren, indien hy had kunnen blozen. Maar zijn blos was — wie weet waar?

"Al weer foei!" hernam hy; "dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw HENRIETTE!" En hy lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd vest; ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar misschien van fluistert onwaar is. "

Hy liet eene korte geheimzinnige pauze volgen; toen vervolgde hy: