Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/162

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

154

"Ik mag de freule CONSTANCE heel gaarne; zy is waarlijk allercharmantst, maar... ik heb geen plans, in 't geheel geen plans. En wilje weten waarom zy my juist gisteren zoo beviel?"

"Welnu?"

"Omdat zy zich zoo aan u intéresseerde." En hy sloeg de oogen liefelijk neder.

"Indedaad, ondeugd!" plaagde HENRIETTE; je zoudt me waarlijk nieuwsgierig maken, indien ik het zijn kon!"

"Zy vond uw voorkomen zoo byzonder lief en intéressant," zei VAN DER HOOGEN; "en ze had zóó veel van uw spelen gehoord." En zich tot mevrouw KEGGE keerende: "Lieve mevrouw! vereenig u toch met alles wat in de stad smaak heeft, om uw dochter te dwingen haar woord te houden."

"Dat behoeft niet meer!" zei HENRIETTE glimlachende: " Alles is bepaald; ik speel vrijdag."

"Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule CONSTANCE verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk, hoop ik..."

"Ik ben nog niet gedécideerd, andwoordde HENRIETTE: "wil de heer VAN DER HOOGEN my eens helpen kiezen? Zullen wy den piano eens open maken?"

"Gaarne, dol gaarne."

"Maar gy moet reflecties maken ………"

"Onmogelijk! onmogelijk!" riep VAN DER HOOGEN. Daarop sprong hy van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hy hem zoo voorzichtig nederlegde, alsof hy een uitgeblazen eierschaal geweest was, ontblootte zijne sneeuwitte handtjens en nagels coupés à l'anglaise, en hielp HENRIETTE de muzijk uitzoeken.

Onderdies fluisterde hy half hoorbaar: "Dat juffertjen DE GROOT heeft toch een allercharmantst gezichtjen!"

"Wat onbeduidend, " andwoordde HENRIETTE.

"Niet waar? dat is de eenige fout," sprak VAN DER HOOGEN.

"SAARTJEN," hernam HENRIETTE, het is goed dat ik er om denk. Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetjen gezelschap houden wilt."

"Graag, nicht HENRIETTE!" andwoordde SAARTJEN; «ik ga terstond." Ongaarne zag ik de lieve blaauwe oogen vertrekken.

HENRIETTE begon te spelen, en de heer VAN DER HOOGEN sloeg de bladen om; maar ik merkte op dat hy er somtijds zoo lang meê talmde, dat HENRIETTE, bevreesd dat hy het niet by tijds doen zoude, zelve haar hand uitstak, waarop hy zich dan haastte die hand te ontmoeten, en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen. Over 't geheel was de houding der jongelieden voor den piano zeer vertrouwelijk.

Intusschen zaten aan een klein tafeltjen de jonge heeren ROB en