Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/166

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

158

"Ik heb het met muzijk gekregen."

"Nu kind! van avond vergulden, hoor! HILDEBRAND mag je komen halen als hy plaisir heeft, en dan moet hy wat vroeg gaan, dan kan hy nog reis meê trekken om 't langste brok. 't Zijn waarlijk goeie menschen, HILDEBRAND! heel ordentelijk. Je hebt gisteren SAARTJEN gezien. HENRIET" ― vervolgde hy, met de oogen pinkende — "HENRIET mocht willen dat zy er zoo uitzag!"

HENRIET beefde.

"Maar zy heeft óók wel mooie zwarte oogen," zei haar papa, en gaf haar een kus. "HARRIOT, my dear, je moet niet boos zijn."

HARRIOT, his dear, draaide het hoofd af.

De vader was verlegen.

"Het is goed weer," hernam hy: "best weer! ik heb de schimmels voor de barouchette laten zetten; ik wil een toertjen maken met mijn logé. Ga je meê, HARRIOT?"

"Ik heb te schrijven en muzijk te copiëeren," andwoordde zy, eene slotportefeuille openslaande, en er een blaadtjen Bathpapier uitkrijgende, dat zy oogenblikkelijk met veel ijver ging zitten vullen.

"Nu, dan gaan wy alleen; voor mama is het te koud."

Er volgde een poosjen stilte.

"Is uw toilet voor vrijdag al in orde, HARRIOT? vroeg de heer KEGGE.

"Ik weet niet," zei "HARRIOT.

"Moet er niets nieuws zijn, een ferronnière, of zoo wat?"

"Neen, papa."

De schimmels waren vóór; HENRIETTE bleef pruilen. Wy namen afscheid en stegen in de barouchette.

"HENRIETTE was boos," zei de vader, toen wy gezeten waren. "Ja, die dametjens! je moet ze ontzien, vrind! En HENRIET heeft veel karakter."

Wy toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten de vensters der respective bewoners dreunen; mijnheer KEGGE beweerde dat men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag onder de voetgangers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord "ongepermitteerd" duidelijk lezen op het gelaat van verscheidene joden die de stad met kruiwagens doorkruisten, en van oude vrouwen die van de vischmarkt kwamen, en op dezen of genen hoek niet gaauw genoeg uit den weg konden komen. Ook zag ik deftige heeren met rottingen onder den arm die, niettegenstaande de straat breed genoeg was, het veiliger achtten hunne wandeling te staken, tot dat het rijtuig zou zijn voorbygegaan, en kindermeiden die, twintig huizen vóór ons uit, "verschoten," en de aan haar zorg toevertrouwde lievelingen by de armen naar zich toesjorden, om der wareld te toonen hoe goed zy voor hen zorgden. In een koffyhuis kwamen drie of vier heeren, met horizontaal opgeheven pijpen in den mond over het horretjen kijken; en alles toonde ont-