160
Op den terugkeer gebood de heer KEGGE stil te houden voor de deur van een bloemist. De zwarte palfrenier steeg af en belde aan. "Is je heer thuis, meisjen?"
"Mijnheer is naar Amsterdam."
"Maar mogelijk is BAREND te werk," riep KEGGE uit het rijtuig.
"Ja, mijnheer! BAREND is er, als meheer er maar uit wil komen?"
Wy stegen af, en men bracht ons naar het zoogenaamd bollenhuis, waar BAREND zich weldra te midden der bolrekken, houten zaadbakjens, en sterke geuren aan ons oog vertoonde.
BAREND was de oudste, de meester-knecht van den bloemist, by wien wy waren afgestapt; een man van een, in zijn stand, allereerwaardigst voorkomen. Hy was niet groot van gestalte, en droeg een blaauw wambuis van een antiek snit, een korten broek, grijze kousen en groote vierkante zilveren kuit- en schoengespen; zijn wit voorschoot was in de schuinte opgenomen. Niettegenstaande zijn hooge jaren droeg hy het hoofd nog vrij rechtop. Dunne witte hairen hingen hem langs de slapen; maar zijn gerimpeld gelaat had nog dat gezonde rood, dat dezulken, die hun leven in de open lucht hebben doorgebracht, tot in hun grijsheid byblijft. Zijne blaauwe oogen hadden een vriendelijken schijn, en zijn mond was juist genoeg ingevallen om een allerinnemendsten plooi te hebben aangenomen.
"BAREND!" zei de heer KEGGE, ik moet een mooien ruiker bloemen hebben."
"Dat zal slecht gaan, menheer KEGGE," andwoordde BAREND.
"Voor geld en goede woorden, BAREND!" hernam KEGGE; 't kan me niet schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintjen zie."
"Allemaal goed, zei BAREND, "maar je kent de natuur niet dwingen. Dat 's een anjer, verstaje! 't Is nou de allerschraalste tijd; weetje wel dat we al mooi naar korsemis opschieten? Kom zoo vroeg in ' t voorjaar als je wilt, menheer KEGGE, en ik zal je een handvol gebroeid goed geven, dat je hart er van verdaagt; maar nou is alles gedaan. Der mag nog een enkelen kresantemum wezen, ― maar 't is over, menheer KEGGE; je kent, zeg ik nog reis, de natuur van een ding niet dwingen. Je kent het wel dwingen; maar dwingen en dwingen is twee; en als je een ding dwingt, dat nou eigenlijk niet gedwongen kan worden, wat heb je dan? dan plaag je je zelven."
De heer KEGGE brak dezen niet zeer duidelijken woordenstroom van den ouden BAREND af, met te zeggen: Nu, nu, BARENDTJEN! als je al de kassen reis doorloopt!"
"Hoor reis!" zei BAREND, "je moet maar denken dat ik je net zoo graag de heele pot geef, als dat ik er de hartsteng uit moet snijen, want daar zit al de kracht in, weetje. Een blom, menheer KEGGE, dat zeg ik altijd, een blom is net as een mensch. Als ik jou je hart uit je gemoed snij, dan kan je ommers ook niet in 't leven blijven? Daar zit