Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/169

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

161

het hem as 't ware maar in……… Wat zeg jy, menheer?" voegde hy er by, zich tot my richtende. De heer KEGGE wachtte volstrekt niet af wat ik in dezen zeggen zoude.

"Maar voor een goud vijfjen zal ik toch nog wel wat kunnen hebben?" zei hy ongeduldig.

"Hoor," zei BAREND, zijn snoeimes uit den zak halende, en openslaande, was ze der binnen, dan hoefje geen goud vijfjen te besteden; dan zal je voor een spiergulden<ref>Vier gulden.<ref> heel wat doen. Maar 't is maar dat het zoo bitter uit den tijd is. Is het voor mevrouw?"

"Neen, BAREND! voor me dochter."

"Kom an!" hernam hy, dat's hetzelfde; de dames zijn onze beste klanten voor de blommen; maar as we 't van de blommen hebben mosten!"

"Maar waar drommel moet je 't anders van hebben?""

"Wel van de bollen," zei BAREND; "de blommen beteekenen niets. Dat is armoed. Kijk!" ging hy voort, daar hy een potjen aanwees dat niet bloeide, maar met een rijkdom van fijne samengestelde bladeren pronkte; motje zoo'n dingsigheidjen niet hebben? Of hebje dat al?"

"Wat is het, BAREND?"

"Dat," zei BAREND, is nou eigenlijk de effetieve mimosa nolus mi tangere!"

"Hou op met je potjenslatijn!" riep KEGGE uit; "allemaal gekheid! Hoe heet het in je moers taal, man?"

"Kruidtjen roer me niet! " andwoordde BAREND.

" Dankje hartelijk! hernam KEGGE; zich waarschijnlijk herinnerende dat hy zoo'n dingsigheidjen al had.

Wy gingen eerst de tuin door, waar nog een enkele maandroos bloeide, die er heel goed uitzag, ofschoon BAREND beweerde, dat zy het door de nattigheid toch in het hart weg moest hebben; en zagen vervolgens de kassen, waar hy hier en daar een pelargonium, chrysanthemum, en primula chinensis afsneed, zoodat wy op 't laatst nog een vrij aanzienlijken ruiker byeen hadden, terwijl BAREND by iedere bloem zijn kennis en praatziekte had aan den dag gelegd. Toen hy de laatste deur achter zich sloot, liet de heer KEGGE zich onvoorzichtig de vraag ontvallen:

"Wel BAREND! hoe lang ben jy hier nu al geweest?"

"Vijf en vijftig jaar, menheer! met God en met eere," was zijn andwoord; "ik word met vrouwendag achtenzestig, en ik ben hier op mijn dertiende jaar als tuinmansjongen gekomen."

"Wel man! en je ziet er nog zoo fiksch uit!" merkte ik aan.

"O!" andwoordde BAREND; maar dan moest menheer me wijf zien. Die is nou toch ook in der zestigste, maar dat 's nog wat anders. Ik heb dertien kinderen by 'er gehad, en de jongste scheelde met de oud-