165
"Het spijt my dat het zoo treft, " zei HENRIETTE toen ik weder binnenkwam, maar gy ziet, ik kan nu volstrekt niet gaan."
"Je moet een briefjen schrijven!" zei haar papa.
"Foei neen!" zei HENRIETTE: "geen briefjens aan de DE GROOTEN; dat zijn die menschen niet gewend."
"Wil ik het voor u af gaan zeggen?" vroeg ik half schertsende.
"Heb ik u niet gezegd, mama! dat mijnheer zin in SAARTJEN heeft?" sprak HENRIETTE lachende, maar daarop nam zy de zaak ernstig, en voegde er by: "je zoudt me indedaad zeer verplichten!"
"Goed!" zei ik, "en als 't my bevalt blijf ik er in plaats van juffrouw HENRIETTE, hoe slecht de ruil ook wezen moge. Ik heb niets tegen vergulden."
"Vergulden!" riep de vader uit, geheel verrukking dat de zaak zoo geheel ten genoegen van de dochter geschikt was: "Wel ik kan je zeggen dat ik het nog met plaisir doen zou. Ik wed dat grootmama er nog schik in zou hebben..."
"Ik hou niet veel van goud!" sprak de oude dame.
Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens
zijn; en voorts iets droevigs.
De verguldparty zou uiterlijk ten half zes aanvangen, en tegen dat uur begaf ik my op weg naar de woning van den koekebakker DE GROOT, of zoo als HENRIETTE altijd zeide, van de "DE GROOTEN." Zy was vrij verre van het huis van den heer KEGGE gelegen, en ik ging op de voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van den heer KEGGE af.
Plotseling bevond ik my in eene donkere steeg, aan welker einde een hel licht als uit den grond opkwam, voor welk licht zich eene duistere massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging, hoorde ik stemmen, die my toeschenen van jonge knapen te zijn, uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op alle manieren op en over elkander liggende stapel jongens, die door een kelderraam, waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen van een meester koekebakker en zijne vazallen, die in hun witte linnen pakjens dergelijke schoone wonderen kneedden, duimden, schikten en bakten, als welke HENRIETTE versmaad had verder te volmaken. Ik stond een o0genblik stil, en verlustigde my in de belangstelling dier straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zy de lekkernyen zagen toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zoo als maltentige menschen beweeren, ziek zouden maken.