167
van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde dat niets losser en bevalliger stond dan een rozenrood tissuutjen door een ringetjen gehaald. Dan had men er TRUITJEN en TOOSJEN, de twee telgen van den heer OPPER, voornaam metselaar, waarvan de eene in 't openbaar een hoed met steenen bloemen, en de andere een dito met een houten pluim droeg; maar die in dezen huisselijken kring zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel van eene blaauwe en eene roode céphalide; in de stellige overtuiging dat er in dit ondermaansche geen bevalliger of modieuser damescoiffure kon bestaan. Voorts het magere GRIETJEN VAN BUREN, die de oudste van de gevraagde party was en een à tweeëndertig jaren tellen mocht; zy leefde in otio cum dignitate van eene kleine lijfrente haar door eene oude vrijster gemaakt, by wie zy iets meer dan kamenier en iets minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest; zy droeg een mutsjen met een smal kantjen, en een tourtjen aan twee kleine trosjens rozijnen niet ongelijk. Ook zag ik BARTJEN BLOM, wier vader een deftige spekslagery had, en die zelve een groote, zwarte duimelot aan haar middelsten vinger droeg, omdat zy zich ongelukkig aan gemelden vinger had verwond, by welke kwetsuur "de kou" gekomen was. Ter afwisseling SUZETTE NOIRET, dochter eener weduwe, die op een hofjen woonde, en van de fransche gemeente was. Deze had een allerliefst, beschaafd en net besneden uiterlijk, en wedijverde in het bruin met het blonde SAARTJEN, waarnaast zy gezeten was; en eindelijk, aan het hooger einde van de tafel, moeder DE GROOT zelve, eene dame van een veertig jaar, in eene zwarte zijden japon gekleed, en dragende eene muts met eene groote hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van het hoofdtooisel dat zy op den vijfden december dragen zou. De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie by juffrouw DE GROOT, die gehoopt had met nicht HENRIETTE te pronken; het speet de vergaderde juffers ook recht, zoo als zy zeiden, schoon ik my overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een dame voor menig harer een pak van 't hart was. Een algemeen gefluister, dat door de dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de solo van GRIETJEN VAN BUREN ontwikkelde, met de betuiging, "dat het jammer voor juffrouw KIGGE was; zoo reis vergulden dat was altijd nog reis aardig."
"Ik hoop," zei juffrouw DE GROOT, "in de aanstaande week, de kleine neefjens en nichtjens der ook nog reis op te nooden. Dan vraag ik zoo wat klein grut."
"Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken," merkte juffrouw VAN BUREN aan, haar penceel indoopende en een lange streek goud op den wimpel van een oorlogschip klevende.
"'t Ziet er wel prettig uit," zei ikzelf; ik watertand om het ook reis te doen. Mag ik eens effen van de party zijn?"