169
koekvergulden twee is, en dat er byvoorbeeld een hemelsbreed onder scheid was tusschen den vrijer dien TOOSJEN en den vrijer dien TRUITJEN had uitgemonsterd, zoodat TOOSJEN zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe TRUITJEN dien parapluie zoo natuurlijk kreeg, waarop de vrijer van TRUITJEN dan ook rondging, en het geheele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was als of die parapluie leefde. Ik voor my kan u als eerlijk man betuigen dat my, nadat ik eerst mijne krachten aan den zadel van den ruiter, dien juffrouw NOIRET onder handen had, had beproefd, en my van haar omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten, dat my, zeg ik, eene koude rilling door de leden ging, toen er eene groote, majestueuze dagbroer voor mijne eigene onbygestane verandwoording werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalaten hier ten algemeenen nutte op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht de juiste hoeveelheid water die men op de plaats penceelt waarop men het goud wil doen kleven; want neemt men die te gering, zoo wil het niet kleven, en doet men het te nat, zoo wordt het verguldsel dof. En wat is er nu aan een doffen dagbroêr? Spoedig was men het er over eens dat ik het al heel mooi begon te doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan de zachtmoedigheid der kritiek toeschrijf; en weldra lette men er niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. MIETJEN DEKKER met de bloedkoralen, KELTJEN DE RIET, en PIETJEN HUPSTRA hadden het heel druk met juffrouw DE GROOT over "fripante sterfgevallen in de Haarlemmer krant," drie onder mekaar van "in den bloei van 't leven", en twee van "door een ongelukkig toeval." Voorts spraken zy veel van "pinnetrante kou, fattegante reizen, en katterale koortsen." Zy roerden ook het teder onderwerp van "vomatieven, en opperaties," en kwamen van lieverlede nog eens op den vinger van BARTJEN BLOM.
"Zy moest er toch niet te luchtig over denken. De een zei, zy moest er den meester by halen, maar de ander beweerde dat zy er den meester niet by moest halen, en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest die den duim van den neef van haar zusters man verknoeid had; de een wilde haar vinger pappen, omdat de kou er by was; de andere ried zoete melk aan om er den brand uit te trekken; een derde, kennelijk onder den invloed van den genius der plaats, achtte niets zoo heilzaam als koekebakkersdeeg. En BARTJEN BLOM dacht er over hoe zy deze verschillende raden het best zou vereenigen. Daarop maakte GRIETJEN VAN BUREN zich van den boventoon meester, en vertelde het gezelschap wonderen van de gierigheid van de freule TROES, van wie zy hare lijfrente had. Ik kan je zeggen, mensch, als er zoete appelen zouën gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid de pan binnenbrengen, als ze ze geschild had; en dan telde ze na of der — hoe veel is 't ook weer? viermaal vierentwintig? — als ' t viermaal vijfentwintig was, dan was 't net honderd, dat's vier