Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/178

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

170

minder, dat's zesennegentig, of der zesennegentig vierdepartjens waren, en als ze dan op tafel kwamen nog eens." Waarop die van de blaauwe en roode céphalides hare uiterste verbazing te kennen gaven. BARTJEN BLOM vroeg of het waar was, dat de freule enkel zoo rijk was geworden, door in haar jeugd al de spelden en naalden, die ze by den weg vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar om verscheidene anecdotes van befaamde engelsche gierigaarts te verhalen, die by al mijne kennissen hadden uitgediend, maar die hier nog eens gaaf opgingen, zoodat men my zeer aardig begon te vinden, maar tusschenbeiden ook aanmerkte dat ik er maar wat van maakte."

Juffrouw NOIRET was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar doorgaande stilheid in verband met een weemoedigen trek om haar mond, die my deed onderstellen dat zy niet gelukkig was.

SAARTJEN was allerliefst, en schoon het geheele gezelschap in beschaving vooruit, echter ook hier volkomen op haar plaats en zeer eenvoudig. Zy liep gedurig af en aan, om ieder van het noodige te voorzien; en GRIETJEN VAN BUREN begon haar veelbeteekenende oogen toe te werpen en op eene mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de zin was dat ze haar met my plaagde, tot groot genoegen van alle de anderen. Evenwel kreeg BARTJEN BLOM ook haar beurt, daar men haar laatst by het uitgaan der kerk zoo vriendelijk had zien groeten tegen een zekeren KEES; maar zy wendde de scherts af, door haar op die van de roode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis met den zelfden KEES in 't paardenspel geweest was, en die van de blaauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tusschen haar zuster en KEES, "ja, ja! wel zoo wat koek en ei was, als men zegt;" waarop die van de roode zeide, dat die van de blaauwe wel zwijgen mocht; waarop GRIETJEN VAN BUREN aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg; waarop BARTJEN BLOM uitriep: "Nu, nu, GRIETJEN! ik vertrouw jou ook niet! je gaat tegenwoordig zoo dikwijls naar Amsterdam; ik denk dat daar ook wat zit!" waarop GRIETJEN verklaarde, dat BARTJEN een ondeugd was. Ik merkte op dat SUZETTE NOIRET door niemand geplaagd werd.

Om een uur of half acht kwam er een groote ketel met anijsmelk binnen, die door al de dames "deli" gevonden werd. Daarna kwam de schepper en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wy zaten op te luisteren, eens even uit de bakkery opdagen, en keek eens of men wat vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige, vrolijke man, die er heel veel plaisir in had, toen BARTJEN BLOM hem knipoogend vertelde, dat TOOSJEN en TRUITJEN OPPER vast wel voor zeven gulden gebroken en opgegeten hadden, waarop TOOSJEN aanmerkte dat zy, BARTJEN, wel zwijgen mocht, daar zyzelve een heel oorlogschip in haar zak had gesmokkeld, waarop de koekebakker dreigde,