Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/179

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

171

dat geen van de dames de deur uit zouden komen, voor hyzelf haar zak had geïnspecteerd. Toen verhief zich de vrolijkheid tot uitgelatenheid. DE GROOT stopte een klein houten pijpjen dat hy in de hand had, en daalde weder ter bakkerye.

Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen, goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot over de ooren. De een was een broer van PIETJEN HUPSTRA, en schreef op 't stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen OPPER, en voor 't kastenmaken bestemd; en de derde, een broêr van KEETJEN DE RIET, ondermeester op een hollandsche school; het doel van hunne verschijning was geen ander dan hunne zusters en al wie zich verder aan hunne bescherming zouden willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen.

Nu zei juffrouw DE GROOT dat men maar uit zou scheiden, want dat het toch altijd gekheid werd "als de heeren er by kwamen," en er werd besloten dat men nog gaauw een pandspelletjen doen zou. Men koos daartoe, nadat het geheele verguld-atelier als zoodanig was opgeredderd, "alle vogels vliegen," en ik heb nooit zoo veel onschuldige vreugde by malkaar gezien als toen de oude juffrouw DE GROOT een drommedaris wilde laten vliegen. BARTJEN BLOM werd met "den vogel struis" verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis, van welke de ondermeester DE RIET beweerde dat hy niet vloog, maar fladderde. Hoe dit zij, hy verbeurde pand, en al de heeren verbeurden pand, en SAARTJEN verbeurde pand, en wy verbeurden altemaal pand.

Toen werd GRIETJEN VAN BUREN verkoren om al de panden te doen terugkoopen, en werden de bloedkoralen armbanden, en de bloedkoralen speld van MIETJEN DE DEKKER, met en benevens het tissuutjen van KEETJEN DE RIET, en een "lodereindoosjen" van haarzelve, en een vingerling van de oude juffrouw DE GROOT, en een pennemes van den ondermeester DE RIET, en een menagère van BARTJEN BLOM, en een horlogesleutel van den kastenmaker OPPER, en een huissleutel van den klerk HUPSTRA, en een beurs van myzelven, en al wat verder ter tafel was gebracht, in haarEd. maagdelijken schoot geworpen; daarover werd een zakdoek gespreid, en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, waarvan ik dit pand in handen heb?

Ik spreek niet van de moeielijke en wonderspreukige dingen, die wy tot het terugbekomen onzer kleinodiën moesten ten uitvoer brengen, als met vier pooten tegen den muur oploopen, een spiegel stuk trappen, den zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentiën als daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok, het byenkorfjen, en anderen, waarby machtig veel gekust en evenveel gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid des geheelen gezelschaps niet toen TOOSJEN OPPER iets heel moeielijks had opgegeven, in de stellige overtuiging dat BARTJEN BLOMS pand voor den dag