172
zou komen, en het waarlijk haar eigen naaldenkoker bleek te zijn; of toen de heer HUPSTRA in het spaansch speksnijden, dat hy nooit te voren gedaan had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw NOIRET had gekozen, en per slot niets te kussen kreeg dan den harden muur, terwijl den jongen OPPER het lot te beurt viel haar den zoen te geven! In een woord, het was aller-aller-prettigst, en de vreugd was op ieders aangezicht te lezen, en ik vermaakte my duizendmaal meer onder deze goede vrolijke menschen, dan ik gedaan zou hebben, indien ik ware thuis gebleven onder den sublimen piano van juffrouw KEGGE, en den charmanten viool van den charmanten VAN DER HOOGEN.
De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de heeren verdeeld, en ik nam op my juffrouw NOIRET, die my zeer interesseerde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en ons cen hartelijk afscheid, de drie bollebuizen drukten my allen zeer voelbaar de hand, en ik was zeer te vreden met de vriendschap die ik zoo onverwacht had aangeknoopt.
Juffrouw NOIRET was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar thuis te brengen. "Het was zoo ver!"
Ik andwoordde zoo als betaamde, dat hoe langer ik haar byzijn genoot, het my des te aangenamer zijn zou.
"Ach! " zeide zy, "mijn byzijn, mijnheer! is toch anders niet heel aangenaam. Ik schaamde my onder al die vrolijke menschen. Zat ik er niet treurig by?"
"Gy waart zeker niet zoo luidruchtig als de overigen. Maar toch..."
"Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vrolijk was!" viel zy my in de rede. "Het zou my spijten. Ik hield my zoo goed als mogelijk; maar mijn hart was ergens anders. Mijn hart was by mijn moeder," voegde zy er haastig by.
"Is uw moeder ziek, of..."
"Zy is oud, mijnheer! heel oud. Was zy niet wel geweest, gy zoudt my daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich by vriendelijke menschen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee verontschuldigen, dat zy een oude moeder heeft? Ook had zy van avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zy volstrekt dat ik gaan zou."
SUZETTE zuchtte.
"Is uw moeder zoo heel oud?" vroeg ik? Gy zijt, dunkt my, nog zoo heel jong."
"Ik ben drieëntwintig, mijnheer, andwoordde zy, met openhartigheid, en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zy heeft veel ongelukken gehad. Mijn vader stierf voor dat ik geboren werd. Zy had toen negen kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar eenigste; en nu kan zy niet wel zonder my... en ik niet wel zonder haar."