173
"En uw vader..."
"Mijn vader was de zoon van een zwitsersch predikant, mijnheer!
"Maar zijn vader kon hem niet laten studeeren. Hy had een kleine post by het accijnskantoor, en liet mijne moeder in behoeftige omstandigheden achter. Maar wy werken beide. Nu heeft zy sedert drie jaren het hofjen, en dat is een groot geluk. En toch..."
"Ik geloof," zeide ik, "dat wy voor de poort van het hofjen staan. Klopt men hier aan, of moet men aan dien langen bel trekken?"
"Helaas, geen van beiden!" zei SUZETTE, op een allerdroevigsten toon van stem, die de klank had als of haar een traan in de oogen schoot: geen van beiden. Mijn moeder woont wel op het hofjen, maar ik niet. "
"Waarom niet?" vroeg ik. Op het hofjen woont niemand onder de zestig jaar, ging SUZETTE voort; ik kom er 's morgens heel vroeg, zoodra de poort opengezet wordt, en blijf er den heelen dag by mijn moeder; maar slapen mag ik er niet. Voor tienen moet ik er vandaan, en 's avonds na zevenen mag ik er zelfs niet meer op. o Wat zou ik geven als ik mijn moeder nu nog maar eens even mocht goênacht zeggen!..."
En zy zag naar de geslotene poorte om.
"Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisjen," ging zy voort; haar naaste buurvrouw is hartstikken doof; en als haar eens iets overkwam! dat, dat is mijn grootste zorg, dat pijnigt en vervolgt my altijd en overal!..."
"Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt gy toch wel..."
"Als zy ernstig ziek wordt, dan schrijft de doctor van 't hofjen een verklaring dat zy niet alleen kan blijven, en dan mag ik in haar huisjen slapen. Maar ach, het ligt my op de leden dat mijn lieve moeder er eens onverwacht uit zal zijn, en als dat eens by nacht was! O, ik bid God alle dagen dat het by dag moge zijn... Ik zou het niet overleven!" Wy gingen zwijgend verder.
"Hier woon ik, mijnheer!" zei juffrouw NOIRET, hare schoone oogen afvegende, als wy voor een kleinen komenywinkel stonden; "ik dank u voor uwe vriendelijkheid."
"Ik hoop," zeide ik, "dat gy uwe moeder nog lang zult hebben, en zonder angsten." Zy reikte my stilzwijgend de hand, en als het licht uit den kleinen winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd zy was. Wij scheidden.
Ik vond de familie KEGGE reeds byna aan het souper. VAN DER HOOGEN deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan HENRIETTE, die al de aantrekkings- en afstootingskunsten eener handige coquette (het is een aangeboren kunst) in werking bracht. Men ver-