174
meed in 't byzijn van ZH.WG. van de DE GROOTEN te spreken, en eerst toen hy vertrokken was, vroeg men my hoe ik my geamuseerd had. Ik gaf een gunstig andwoord, maar trad in geene byzonderheden, omdat ik voor geen geld ter wareld de onschuldige vreugde der DE GROOTEN, DE RIETEN, DEKKERS, HUPSTRA's en zoo voorts, door eene juffrouw HENRIETTE KEGGE wilde hooren bespotten.
De Grootmoeder.
Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek binnentrad, zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met rood lederen zitting en rug, die waarschijnlijk tot het meubilair van haar eigen kamer behoorde, by het vuur. Een kleine tafel was daarby aangeschoven, en daarop lag een engelsche octavo Bijbel, waarin zy ijverig las. Zy hield daarenboven een breiwerk in de hand.
De schoone lange hond zat weder naast haar stoel en keek oplettend naar haar op. Werkelijk volgde hy met zijne goedige oogen iedere beweging van haar hoofd en hand, als zy van den Bijbel naar haar breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg. Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze het minst, daar zy nooit dan by het middagmaal verscheen, en na afloop daarvan onmiddelijk weer vertrok. Was het alleen dáárom dat zy mijne belangstelling prikkelde, of was het om haar deftig, stil, en ingetrokken voorkomen; de weinige, korte, verstandige, maar dikwijls wel wat harde woorden, die zy sprak; en de verknochtheid van haren schoonen, langen hond? Hoe het zij, ik hoopte hartelijk dat zy een gesprek met my zou aanknoopen.
Zy scheen mijne binnenkomst niet bemerkt te hebben, en terwijl ik my nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half overluid de schoone plaats van PAULUS oplezen: For we are saved by hope: but hope that is seen is not hope; for what a man seeth, why doth he yet hope for. But if we hope for that we see not, then do we with patience wait for it (Rom. VIII. 24, 25).
Zy schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug in haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjens herhaalde zy de woorden: then do we with patience wait for it. Plotseling bemerkte zy dat ik my in het vertrek bevond.
"Gy zult my vandaag moeten dulden, mijnheer!" dus begon zy; mijn kamer wordt schoongemaakt, en dan ben ik gewoonlijk hier."
"Gy leeft een zeer eenzaam leven, mevrouw! andwoordde ik; de drukte zal u misschien hinderen.
"o Neen!" hernam zy, met eene luide stem; "ik ben sterk genoeg.