175
Mijn hoofd is zéér sterk; ons menschengeslacht is zoo zwak niet. Maar ik ben niet meer geschikt voor gezelschap; ik ben te somber, te ernstig geworden. Ik zou hinderen; ik zou vervelend zijn. Dit boek" zeide zy op haren Bijbel wijzende, "dit boek is mijn gezelschap."
Zy zweeg eenige oogenblikken, en streelde den kop van haar hond met de bruine hand. Daarop hief zy zich weer een weinig in haar stoel op.
"Gy zijt hier nu reeds een paar dagen, mijnheer HILDEBRAND," hernam zy; "en de aanleiding tot uwe kennismaking met de familie is van dien aart dat.... Zeg my eens, heeft men al eens met u over den lieven WILLIAM gesproken?"
"Het spijt my, mevrouw! dat ik u ontkennend moet andwoorden. Neen! men heeft met my nog geen woord over WILLIAM gewisseld."
"Heb ik het niet gedacht!" riep zy uit, hare handen in elkander slaande en een diepen zucht lozende, die in een droevigen glimlach overging: "ik wist het wel; ach, ik wist het wel!"
Zy zag treurig haar hond aan, die, als verstond hy hare klachten, zijne voorpooten op haar schoot legde, en zijn kop tot haar aangezicht ophief, om haar te streelen.
"En toch is hy nog geen drie jaren dood, Diaan!" zeide zy, den poot van den hond aanvattende; "de lieve BILL is nog geen drie jaren dood. Ik wil wedden, voegde zy er met nadruk by, dat de hond hem nog niet vergeten heeft." Eenige oogenblikken zat zy in een gepeins, waarin ik haar niet durfde storen.
"Hy was mijn oogappel!" barstte zy uit, "mijn lieveling, mijn uitverkorene, mijn schat!" En toen bedaarder: "hy was een lieve jongen, een heele lieve jongen; niet waar, mijnheer HILDEBRAND?"
"Dat was hy," zeide ik.
"En toen hy wegging, ging de grootmoeder voort, was het my als of het my werd ingefluisterd dat ik hem niet weer zou zien; en Diaan hield hem by zijn mantel terug. Niet waar, Diaan? BILL had niet moeten weggaan. Hy had moeten blijven, moeten oud worden, in de plaats van de vrouw. —"En als hy dan had moeten sterven, dan had ten minste zijn grootmoeder hem de oogen moeten toedrukken. Wie heeft het nu gedaan?.."
Wat deed het my goed aan het hart haar te kunnen zeggen, dat ik het zelf was.
"Indedaad?" vroeg zy met een zachten lach. "Ik benijd u." En zy zag my aan met een langen en strakken blik.
"Dezen zakdoek," ging zy na eenige oogenblikken zwijgens voort, op den foulard wijzende, dien zy om den hals droeg, "liet hy by het afscheid liggen. Hy ging de deur uit, maar kwam nog weer terug om hem te halen. De arme jongen had hem wel noodig, want ik kon hem