Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/184

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

176

in zijne tranen wasschen. Ik wischte zijn oogen af en wilde den doek behouden. Die doek en deze brieven zijn mijn eenige troost!"

Zy sloeg haar Bijbel op verschillende plaatsen op, en toonde my de brieven die zy van WILLIAM ontfangen had en in dat boek bewaarde. Zy nam er eenen op, en tuurde een poosjen op het adres.

"Hy schreef een mooie hand; deed hy niet?" zeide zy, en reikte my den brief toe.

Ik las het adres. Het luidde: Aan mevrouw E. MARRISON. E. M.! Dat waren de voorletters die op den ring gegraveerd stonden, dien hy my op zijn sterfbed gegeven had. E. M. Ik had aan dien ring een gantschen roman geknoopt; in die letters den naam van een lief, jeugdig meisjen gelezen, dat haar jong hart reeds vroeg voor WILLIAM geopend had! Maar hoe veel aandoenlijker was dit pand eener eenvoudige genegenheid tusschen grootmoeder en kleinkind. Schoon ik anders den ring niet droeg, had ik hem toch dezer dagen aangetrokken. Ik nam hem van mijn vinger.

"Deze gedachtenis," zeide ik, "gaf hy my op zijn sterfbed. Hy beval ze my aan als iets dat hem zeer dierbaar was."

Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst schoten er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden.

"Mijn eigen ring! " riep zy uit. Ja, ik gaf hem dien voor den neusdoek; heeft hy hem altijd gedragen?"

"Tot weinige uren voor zijn dood!"

"En zeide hy dat hy hem zeer dierbaar was? De lieveling! Heeft hy zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen? En waren zijne laatste gedachten ook by zijn grootmoeder? Zie je wel, Diaan!" zeide zy tot den hond, "het is het ringetjen van de vrouw, dat de lieve BILL gedragen heeft. Hy heeft ons niet vergeten. Diaan! en wy hem niet — ofschoon dan ook.... Ach, mijnheer!" ging zy voort, "mijne dochter was in ' t eerst zoo hevig bedroefd: maar zy gevoelt niet diep; zy was de laatste, de eenig overgeblevene, maar niet de gevoeligste mijner kinderen. Ook had zy zoo veel kinderen over. Maar ik, ik had mijn hart op WILLIAM gezet: hy droeg den naam van zijn grootvader, mijn eigen braven WILLIAM. Hy was altijd zoo eenvoudig, zoo lief, zoo teder, zoo aanhalig voor my. Het was een lieve jongen! Wat doen wy hier zonder hem, Diaan?"

Weder volgde er een korte pauze.

"KEGGE is een goed mensch!" ging zy voort. Hy is goed, hy is hartelijk, hy is week. Maar hy is vol valsche schaamte; hy wil nooit met een traan gezien worden. Hy verdrijft zijn beter gevoel door luidruchtigheid. Toen hy HANNAH trouwde was zy een speelsch kind, dat met zes jonge honden door de plantaadje liep. Hy heeft haar niet ontwikkeld, niet geleid; zy ziet hem naar de oogen, zy richt in alles zich naar hem; onder zijn invloed durft zy niet anders zijn dan hy