177
zich voordoet. Somtijds ben ik hard tegen KEGGE, en daarom leef ik liever alleen. Hy verstaat my niet; en dan! dat er nooit, nooit een woord over den lieven WILLIAM gesproken wordt! Maar wy spreken van hem, niet waar. Diaan!" en zy streelde hem zachtkens over den kop; wy spreken van hem. Hy was zoo goed voor den hond, en de hond had al zoo vroeg met hem gespeeld. Als ik lang naar den hond kijk, is het als zag ik den kleinen BILL nog met hem spelen!..."
Zy nam den ring weder op.
"Ik zal hem u weêrgeven, als gy weggaat," zeide zy, "maar laat my hem nog een paar dagen houden."
"Houd hem uw geheele leven, mevrouw!" riep ik haar toe. "Gy hebt er de grootste en tederder rechten op dan ik."
En ik reikte haar de hand.
"Mijn geheele leven!" andwoordde zy; ik wenschte wel dat dat niet lang ware. Ik ben niet geschikt voor dit land. Mijn vader was een engelschman, maar mijn moeder eene westindische van ouder tot ouder, eene inboorlinge. De lucht is my hier te laf, de zon te flaauw! Zoo gy wist wat het my gekost had de West te verlaten. Maar mijn eenig kind, en het graf van mijn kleinkind trokken my hierheen. Ook wilde men my niet alleen achterlaten. Ik mocht niet blijven in het huis waar ik WILLIAM voor my had gezien, ik moest afscheid nemen van de plekjens waar ik hem had zien spelen, waar hy op zijn klein paardtjen voor mijne oogen had rondgereden. Ik zou zijn graf wel eens willen zien; ik verlang om naast hem te slapen in den vreemden grond...."
Diaan, die zijn kop weder weemoedig in haar schoot gelegd had, hief dien langzaam op, en zag haar droevig aan. Er lag een vraag in zijne oogen:
"En wat zal er dan van Diaan worden?"
Een Concert.
De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had) al wat in de stad smaak had, en ik voeg er by, lid was van het concert Melodia, stond verrukt te worden door het spel van juffrouw HENRIETTE KEGGE, de mooie dochter van den rijken west-indiër, was gekomen.
De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te acclimateeren, en de heer VAN DER HOOGEN was er zelf heengegaan om er hem te ontfangen; ja, hy was zelfs eenigzins martelaar van die gedienstigheid geworden, daar de kastenmakersgezellen, die het stuk hadden overgebracht, by het strijken, een der pooten op ' s mans likdoren hadden doen nederkomen, dat hem alleraffreust!" zeer had gedaan.