179
tier over zevenen stond. Het rijtuig wachtte, en wy reden ter muzijkzaal.
De charmante stond in den gang ons op te wachten, en bood zijn arm aan mevrouw KEGGE aan; ik volgde met HENRIETTE, en het luid gezwatel van stemmen, dat den stormwind der muzijk voorafgaat, liet zich hooren. De komst van de familie KEGGE maakte eenige opschudding onder de jonge heeren, die achter in de zaal stonden, en die door den heer KEGGE, naarmate hy hen passeerde, zeer luidkeels gegroet werden. Over 't algemeen sprak ZEd. een toon of wat te hoog en te bar voor een publieke plaats.
"VAN DER HOOGEN! waar moeten de dames zitten? Ik hoop wat vooraan. HENRIETTE moet zoo'n lange wandeling niet maken, als ze spelen zal. Hier dunkt me. Op deze drie stoelen! HENRIETTE op den hoek, mama in 't midden, en de kleine kleuters dáár."
Toen keek hy triomfantelijk rond om te zien welk een uitwerksel deze onafhankelijke taal op de groote hanzen en adelijke heeren, die rondom stonden, maken zoude.
Men zat. Een aantal lorgnetten geraakte in beweging om de mooie juffrouw KEGGE: een aantal hoofdtjens van dames die in een zeer druk gesprek gewikkeld waren, draaide zich van tijd tot tijd naar haar om, zonder evenwel den schijn te willen hebben, er werk van te maken haar te zien. Sommigen keken verbaasd van de toque van mevrouw, anderen lachten in haar geborduurden zakdoek om de drukte van mijnheer, een paar stieten elkander aan wegens de charmantheid van den charmanten.
"Is de freule NAGEL hier ook?" vroeg HENRIETTE, haar donkeren boa een weinigjen latende zakken; want in de laatste dagen had zy veel aan de hooggeborene gedacht.
"Nog niet," andwoordde hy, zijn lorgnet uit zijn oog latende vallen, als of het een groote traan geweest ware. "Nog niet, maar zy komt ongetwijfeld. Gisteren nog maakte ik een visite by den baron." "VAN DER HOOGEN!" zei ze, "ik languisseer naar morgen avond! Ei zie, daar komt zy juist. Zy zal hier in de buurt komen; charmant! charmant!"
De dame, die hy daarop als de freule CONSTANCE uitduidde, werd binnengeleid door een oudachtig edelman, met een byna kaal hoofd, maar dat aan de slapen nog versierd werd door eenige dunne spierwitte krullen, die aan zijn kleurig gelaat een zeer belangrijk voorkomen byzett'en. Zy zelve was eene schoone jonge vrouw van omstreeks zes- of zevenentwintig jaren. Nooit zag ik edeler voorkomen. Heur hair was van een donker kastanjebruin en op de allereenvoudigste wijze gekruld en gevlochten. Haar hoog voorhoofd ging over in een eenigzins gebogen neus, en maakte daarmeê de schoonst mogelijke lijn. Groote lichtkleurige oogen werden door lange zwarte pinkers,