11
waarop hy zal worden omvergegooid, als een blijde jongen of vrolijk meisjen den dag, waarop men scheiden zal van den dubbelen tand!
Wy zijn aan de physieke rampen. Welnu, er zijn er meer dan men denkt. Het grootworden, hoe schoon en voortreffelijk een uitvinding ook, is de oorzaak veler smarten. Want vooreerst, men steekt lange bloote armen uit de mouwen, groote enden kous uit de broek. Daarby schaamt men zich dan gewoonlijk dat men nog rijglaarsjens of schoenen met gespen draagt, omdat er altijd eenige voorlijke knapen zijn, die al halve laarzen hebben, en vroegtijdige juffertjens, die zich op schoenen met lange linten verheffen. Ook rekenen vele moeders er naar 't schijnt niet op, dat niet alleen de beenen, maar het geheele lichaam groeit, en dat het diensvolgens op goede natuur- en wiskundige gronden te bewijzen is, dat al kunnen de broekspijpen worden uitgelegd, het overige gedeelte van dat kleedingstuk hetzelfde blijvende, men eene niet zeer aangename bekrompenheid in de circumferentie van het lichaam gewaar wordt, die ook al weer de oorzaak is van menig nieuw kruis, in een dubbelen zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een kwade kant van den edelen groei, dat hy by de individus verschilt, en zelfs zóó, dat by sommigen tegen het geprezene grootworden het verwijtende kleinblijven over staat. Nu is het niet plaisierig, ieder keer als men een boodschap van papa of mama komt doen, of by LODEWIJK of DOORTJEN spelen komt, altijd door mijnheer of mevrouw, of de juffrouw, of de meid somtijds, tegen LODEWIJKS of DOORTJENS rug gezet te worden, om met de ververschte overtuiging dat men een hoofd of een half hoofd kleiner en een ware peulschil is naar huis te gaan. Dat noemt men in het maatschappelijke leven, als men 't op 't moreele toepast, tauxeeren; en die tauxatie van 't physieke is de eenige, waarvoor de kinderleeftijd gevoelig en ook zeer gevoelig is. Neen, 't is niet aardig van de groote menschen, dat ze 't den kleinen aandoen, evenmin als dat altoosdurende uitgilllen van: "wat benje groot geworden!" op den duur bevallen kan.
Maar daar is toch ook wel een moreele tauxatie, die, zoo zy de kinderen niet dadelijk grieft, hun althands menig genoegen onthoudt. Zy ontstaat uit de omstandigheid, dat een mensch van vijfendertig à veertig een dertig à vijfendertig jaar van zijn vijfde jaar verwijderd is, en in dien tijd machtig veel vergeten kan, en zóó veel, dat hy eigenlijk in 't geheel niet meer weet, wat hy dacht, gevoelde, besefte, en smaakte toen hy kind was, en wat niet. Van daar dat hy zeer dikwijls den maatstaf, waarby hy de kinderen meet, te klein en te bekrompen neemt, en menige vreugd, die hy den jeugdigen van harte gunt, terughoudt, omdat hy in zijne mannelijke wijsheid besluit: "dat zy er eigenlijk nog te klein voor zijn," en er "waarlijk nog niet aan zouden hebben." En dan het "nergens aan mogen komen," als of