193
Et was in de tijd dat ik op allen dag liep van me derde. Maar toen brakken ze in by de lui, en kwammen voor de lui der bed staan, met een armpie van een ongeboren kind. Daar zal meheer wel van gehoord hebben. En dan stakken ze zoo'n armpie in brand, en ze draaiden het driemaal over de lui der hoofd om, en dan zeien ze, ja wat zeien ze ook? dan zeien ze: die waakt, die waakt; die slaapt, die slaapt! en in die omstandigheid, zal ik maar zeggen, daar je dan in verkeerde, daar bleef je ook in. Anranden! 't is wat moois in een kristenland! Gelukkig nog juffrouw dat ze je die japon niet of hebben angerand; dat zou een leelijkert wezen!".
En zy nam SUZETTE een toegespeld pak af, dat zy nog altijd stijf onder den arm hield, en lei het voorzichtig op een der matten tabouretten.
"Breng het boven, moedertjen," zei ik, en laat ons even alleen, want ik hoop dat de juffrouw my den persoon zal kunnen beschrijven; dan zal ik hem aan de policie aangeven."
"Beskrijven; ja, dat gaat zoo ver as 't voeten het," andwoordde de klappei; "en weetje wat KOBUS zeit? ze krijgen er de verkeerden door te pakken. Laastleden varkemarkt hebben ze nog een jong gezel, een die hier, zel ik maar zeggen, vreemd was, opgepakt. Der komt ommers altijd op varkemart hier zoo'n poffertjeskraam? Nou, hy mocht zoo by die poffertjeskraam staan te kijken, na die groote koperen schuttels en zoo; daar komt er een diender na 'em toe; die leest op een pampiertje; en toen kijkt hy hem an. Nou die jonge wist van den prins geen kwaad. Maar de diender zeit teugen 'em: jongen, zeit ie, ga jy reis effen meê. Ik dank je vrindelijk, man, zeit den ander. Maar het holp niet, want de diender zei: maatje, zeit ie, kijk reis effen wat ik hier onder me jas heb. Nou dat waren niet anders as van die duimskroeffies, as meheer wel reis zel gezien hebben, daar ze een minsch meê vastskroeven, zel ik maar zeggen, dat ie geen vin verroeren kan. Nou die mocht die man niet, dat ie mijn slacht. Zoo gezegd, zoo gedaan; daar holp geen lievemoederen an; hy most en hy zou meê. Maar toen hy vijf dagen had zitten brommen — hy was toch maar al die tijd uit zijn werk, zie je — daar komt die zelfde diender in zijn hok, zel ik maar zeggen, of waar dat ie dan zat, en zeit, dat ie maar stilletjens vort zou gaan. Maar hy zei, neen, zeidie, dat gaat zoo niet. Want hy wou der verhaal op hebben, zie je, menheer! Maar dat weten we wel, dat gaat zoo ver as 't voeten het. Zoodat ik maar zeggen wil, dat beskrijven niet veel ofdoet; maar daarom zei KOBUS altijd, in die winter toen 'et nog reis zoo erg was: as ik er eentjen te pakken kreeg, ik zou 'em teekenen, dat ik 'em voor goed zou kennen..."
Ik herhaalde mijn wensch om met juffrouw NOIRET alleen te blijven. Zoodra de babbelachtige vrouw gegaan was, borst zy in tranen uit.
"Dit heeft hy my in de hand gestopt!" riep zy uit; "verbrand het in de kaars."