Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/205

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

197

statig intoneeren van het orgel zijn lofzang als uit eener harte opheft. De aanblik eener gemeente vereenigd, ten minsten uiterlijk vereenigd, in de dienst van God, heeft reeds op zichzelve eene aandoenlijke stichtelijkheid; en wy zijn er, geloof ik, zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht, dat het, al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den apostel te betrachten: laat ons de onderlinge byeenkomsten niet nalaten."

't Hijgend hert.

Zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den tweeënveertigsten psalm:

't Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar 't genot
Van de frissche waterstroomen,
Dan mijn ziel verlangt naar God.

o Gy, die meent dat te huis een "goede" preek te lezen — gy leest gewis altijd goede preeken, en kunt niet dan "slechte hooren"? — o Gy, die meent dat te huis een goede preek te lezen, en des noods een psalm er by, even stichtelijk is als de openbare samenkomst; die het gebod des Zaligmakers, om in de binnenkameren te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gy dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zoo vele menschenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied aanheffen, hetzelfde woord der vertroosting aanhooren, en denzelfden Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser aanroepen, te weeg brengt?

Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot God in een laf na-spel liet verloren gaan.

Een eenvoudig man van hooge jaren stond op den predikstoel, en sprak de gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwekkelijk aan; hy deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht biddend gebed: een oprecht gebed des rechtvaardigen vermag veel, zegt JACOBUS. Toen noodigde hy de gemeente andermaal tot het gezang; en nu werd er uit den cersten psalm aangeheven:

De Heer toch slaat der volken wegen gâ.
En wendt alom het oog van zijn genâ
Op zulken, die, oprecht en rein van zeden.
Met vasten gang het pad der deugd betreden;
God kent hun weg, die ceuwig zal bestaan.
Maar 't heilloos spoor der boozen zal vergaan.

Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar. "De Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der godloozen zal vergaan." En met dit woord in het hart spoedde HILDEBRAND zich naar VAN DER HOOGEN.