198
"Op de voorkamer!" riep de vrouw uit den beddewinkel, haar hoofd uit een achterkamer stekende; "den trap op, de eerste deur aan uw linkerhand."
HILDEBRAND volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer stond half open, en hy bevond zich op het grondgebied van den charmanten. Deze echter was er niet. De kamer was niet byzonder charmant; zy was slecht gestoffeerd en alles behalve netjes. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste meubel. Aan den muur hingen een paar prenten van ROBERT MACQUAIRE, en eenige vrouwenbeelden van de hand van kunstenaars, die zich byzonder op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den schoorsteen een schermmasker, schermhandschoen en floretten, en de staart van een faisanten haan, dien VAN DER HOOGEN moest verbeelden eenmaal geschoten of gegeten te hebben. In den rand van den spiegel staken eene menigte invitatiekaartjens, waaronder sommigen van reeds zeer ouden datum. Op tafel stond een groot flacon met reukwater, en lag een deeltjen van PAUL DE KOCK opgeslagen. Er brandde een vuur in den haard dat echter in het laatste half uur slecht scheen onderhouden te zijn. Een onaangeroerd ontbijt stond op, en van den kook geraakt theewater onder de tafel. Dit beteekende dat de heer VAN DER HOOGEN waarschijnlijk nog in zijn slaapvertrek was. HILDEBRAND hoopte dat de hospita hem zou aandienen.
Weldra kwam er ook waarlijk iemand den trap oploopen, maar het kon de hospita niet wezen, want HILDEBRAND hoorde degelijke manslaarzen kraken. De bovenkomende persoon scheen een kleinen overloop over te gaan, en hy hoorde hem eene andere deur opendoen. Daarop vernam hy eene stem die uit de dekens scheen te komen, en wie daar?" riep.
"BOUT," was het andwoord van den binnengekomene. Lui beest, leg je nog al op je bed?"
"Hei, hei wat," andwoordde VAN DER HOOGEN; 't is pas dag. Je moet bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en daauw op moet. Dat verhaal ik op den rustdag, man! D..., ik heb koppijn, hoor! die wijn op de societeit is slecht."
Er volgde een gesprek waarvan ik niet alles verstond; maar wel merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zy het zwartjen noemden; en spoedig daarop werd het HILDEBRAND duidelijk, dat VAN DER HOOGEN zijn wedervaren met juffrouw NOIRET vertelde, waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen, dat hy in een geweldig lachen uitborst.
"Alles goed en wel!" zei daarop de persoon, dien HILDEBRAND BOUT had hooren noemen, en die een zeer raauw en onaangenaam geluid sloeg; alles goed en wel! maar je bent toch een handtjegaauw. Waarom nu nog niet een beetjen gewacht, tot dat de jongen goed en wel in de West is?"
"BOUTJEN!" andwoordde VAN DER HOOGEN, die in dit gezelschap zijn