202
voor stadscingels. Verfrischt door de heldere lucht en den koelen wind, kwam ik de poort wederom binnen, en begaf my naar huis. Het ongeluk scheen SUZETTE NOIRET te vervolgen.
Niet ver van den Zoeten Inval kwam ik SAARTJEN tegen. Zy liep zeer haastig en met gebukten hoofde; en naderkomende zag ik, dat zy er zeer verschrikt en ontdaan uitzág, en bitter weende.
"Wat scheelt er aan. SAARTJEN?"
Ach!" riep zy uit, "laat my gaauw voortgaan. Juffrouw NOIRET ligt op sterven!"
"Wat! " zeide ik, hevig ontzet met haar voortstappende en aan SUZETTE denkende, en ik heb haar gisteren nog gesproken! "
"Dat kan ook wel zijn, " andwoordde zy; "gisteren was ze nog heel wel. Maar van daag heeft ze plotseling een overval gekregen. Ik was in de kerk, en moeder was thuis by de kleintjens. SUZETTE heeft oogenblikkelijk om moeder gezonden; en nu kom ik, gelukkig en wel, uit de kerk, en daar hoor ik dat de goede juffrouw NOIRET misschien nu al dood is; zy is gelaten, zegt vader, en er is geen bloed gekomen, en de doctor heeft haar opgegeven. Wat zal de arme SUZETTE beginnen?"
Zy snikte luid.
Ik ging met haar naar het hofjen.
De zoogenaamde Moeder van die inrichting, eene deftige gewezen keukenmeid, met een zeer laag jak en grooten witten halsdoek, stond in de poort met eene oude vrouw te praten, die een zwarten schoudermantel droeg, en duidelijk hoorde ik de woorden: "Zoodat ik je nou maar raad er dadelijk werk van te maken, want anders is een ander je al weêr voor; je gaat nou maar immediaat naar de heeren, en zegt: compliment, en dat nommer negen fikant is...."
"En dan?" vroeg de vrouw met den zwarten schoudermantel.
"Dan mot je je beurt wachten," zei de Moeder. Die van den zwarten schoudermantel strompelde heen. Hoe is 't met juffrouw NOIRET? " vroeg ik aan de Moeder, als of ik van dit gesprek niets begrepen had.
"Afgeloopen!" zei de Moeder, haar hoofd schuddende. Och ja, ze heeft het daar zoo passies afgelegd; 't zal nou net een klein ketiertje geleden zijn. 't Is een heele omstandigheid: zóó gezond, en zóó dood. Gisteren ging ik haar deur nog voorby, en ze knikte nog teugen me; ik loof zelf dat ik nog aan haar raam getikt heb, en nog gevraagd hoe ze voer. Ja wel! want ze zei nog teugen me: Heel wel, moeder! Neen toch niet, dat was by TRIJNTJEN. Och ja, dat zeg ik, een mensch kan der gaauw uit zijn!"
Wy gingen voort. Een der bestjens, die op het hofjen woonden, stond met een zwart duifjenskiepjen aan de pomp; zy zag naar ons om, toen we haar voorbygingen, haalde de schouders op, en schudde het hoofd.