Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/212

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

204

eenige weinige grijze hairen kwamen onder het mutsjen uit, en vonkelden als zilver, in den zonneschijn. Hare dorre handen lagen plechtig gevouwen op haar borst. SAARTJEN knielde by haar bed; blozende jeugd by het beeld des doods. Zy legde haar lief handtjen op de hand der overledene, maar schrikte van de koude. Zy had nog nooit een lijk gezien. Toen vermande zy zich weder, en streek met hare zachte vingers langs het gerimpeld voorhoofd. Daarop barstte zy in een hevig jammeren los:

"o Dat ik ook naar de kerk moest wezen! Had ik u nog maar één oogenblikjen levend gezien, lieve juffrouw NOIRET! een enkel woordtjen van u gehoord!"

"Dat hebben wy geen van allen, lief kind!" zei haar moeder, hare oogen met haar voorschoot afvegende.

"Neen," zei SUZETTE met een hartdoordringende stem, geen van allen."

SAARTJEN schoof het gordijn weder toe.

"Arme SUZETTE!" riep zy uit, haar om den hals vallende, "wat zult gy beginnen!" en zy snikte zoo luide, dat haar moeder haar tot zich nam, en zeide, dat zy zich een weinig matigen moest, want dat zy SUZETTE nog naarder maken zoude.

"Ik wenschte dat ik zoo schreien kon, juffrouw DE GROOT! " zei de ongelukkige bedaard, en weder nam zy hare vorige houding aan, met het hoofd in de hand.

De doove buurvrouw kwam binnen. Het was eene lange, schrale vrouw, die het bovenlijf met een grooten hoek voorover droeg. Zy had mede een zwart kiepjen op, droeg een zeer lang chitsen jak, een groot wit schort, en een kalminken rok. Zy zett'e een klein schoteltjen met een bord toegedekt op de tafel.

"Is buurvrouw ziek?" vroeg zy op dien kennelijk doffen toon, aan dooven eigen.

"Ja!" zei juffrouw DE GROOT, luid sprekende; "buurvrouw is heel erg!"

Juffrouw DE GROOT had echter niet luid genoeg gesproken.

"Dan mot ze maar wat eten," hernam de oude, en het schoteltjen opnemende, ging zy naar het bed. Je mot wat gebruiken, buur; kijk, hier heb ik wat gestoofde peertjens voor je."

Zy wilde het gordijn openschuiven. Juffrouw DE GROOT hield haar by den kalminken rok terug.

"Neen!" schreeuwde zy zoo hard zy kon, buurvrouw zal niet meer eten. Buurvrouw is overleden!"

"o Zoo!" zei de doove, het hoofd op en neder bewegende, als of zy het volmaakt verstaan had, slaapt buurvrouw? Zoo, zoo; dat is goed! dat wist ik niet. Ik zag den doctor binnengaan, vervolgde zy tot my, en ik docht, daar is zeker wat an de hand. Wat schort buurvrouw eindelijk?"