205
Ik slaagde er in haar aan 't verstand te brengen, dat buurvrouw niets meer schortte.
"Dat is de derde buurvrouw," zei juffrouw SAMEI, want zoo heette de doove, die ik verlies, en altijd aan denzelfden kant, in dit huisjen. De eerste was ENGELTJEN BOVENIS; die was drieënzeventig, en potdoof; ik ben ook wel wat hardhoorend, weet u? De andere was juffrouw DE RUITER, die de koffykan over der been liet vallen, zoodat ze der nooit van opekomen is; en dut is nou de derde; ' t was een goeje vrouw, een beste vrouw; maar wel een beetjen eenzelverig. Och heer! is ze dood; ik docht nog zoo: kom an, een gestoofd peertjen, daar placht ze anders nog wel van te houën."
De klink van de deur werd weder opgelicht, en binnen kwam een vrouwelijk wezen, wier oogen, gelaat en geheele houding de innigste, de hartelijkste deelneming vertoonden; het was freule CONSTANCE.
Er zijn schepselen in de wareld, die de bestemming om ongelukkigen te troosten daarin hebben medegebracht, en opdat men ze kennen zou, heeft de natuur het vermogen tot troosten in onmiskenbare trekken op hun gelaat uitgedrukt. Tot deze wezens behoorde de freule CONSTANCE.
Met eene niet in het minst hardvochtige, maar beminnelijke kalmte, trad zy binnen, en groette ons. Zy ontdeed zich daarop terstond van haar hoed en bont, en het gaf iets veel vertrouwelijkers, haar in deze sobere woning zonder dien opschik te zien. Toen trad zy op SUZETTE toe, die altijd even stroef het hoofd op de rechterhand deed rusten. De jonkvrouw greep haar by de linker.
"Ik heb van uw ongeluk gehoord, lieve juffrouw NOIRET," begon zy, met een zachte en hartdoordringende stem; ik kom eens met u schreien; gy weet dat ik ook geen moeder meer heb."
Het valt lichter van eene tedere en liefelijke ontroering, dan van eene groote en verpletterende smart te weenen. SUZETTE barstte in tranen uit, en kuste de handen der freule; ook aan de lange zwarte pinkers van deze hingen heldere droppels. SAARTJEN drong zich tegen de beide vrouwen aan, en in haar oog blonken door de tranen henen, de tederste aandoening en de diepste eerbied voor de troosteres. Dat was eene lieve, eene hartbrekende groep. Lijden, medelijden, en lijdenstroost, in eene zachte en liefderijke omhelzing vereenigd. Ik noodig onze schilders uit, daar hunne krachten eens aan te beproeven, als zy een oogenblikjen willen uitrusten van mannen die pijpen rooken, en vrouwen die groente hebben gekocht.
"Een engel van een mensch!" fluisterde juffrouw DE GROOT, en een traan viel op de tang, waarmede zy, op den in de verwarring half uitgedoofden haard, het vuur poogde te herstellen.
"Wie is de dame? vroeg de doove op haar gewonen luiden toon.
Ik poogde het haar te beduiden; maar het was my niet mogelijk.