208
gemeen gegrijn gegeven hebben. HANNAH, my dear! daar moet wat aan gedaan worden, hoor! ' t Is duivelsch jammer voor dat meisjen. Stuur haar het een of 't ander."
"Wil ik haar een gebraden kuiken zenden?" vroeg mevrouw KEGGE goedhartig.
"Allemaal gekheid!" riep de heer KEGGE uit. " Ze heeft immers geen honger. Stuur haar een paar bankjens, dat zal beter welkom zijn; een dooie is een duur ding voor zulke menschen."
HENRIETTE had zich afgewend, en stond kwanswijs naar haar papegaai te kijken! Ook zy had vochtige oogen.
Neen! dacht ik, zonderling mengsel van hardvochtige grilligheid en gevoel! Gy waart toch veel te goed voor een VAN DER HOOGEN! En indien gy freule CONSTANCE tot moeder of tot zuster hadt, gy zoudt eene heele lieve HENRIETTE kunnen worden.
In het schemeruur poogde HENRIETTE, langs alle zijdelingsche wegen te weten te komen, hoe ik over haar en VAN DER HOOGEN dacht. Ik ontdook hare listen, daar ik my voorgenomen had, my dezen dag nog volstrekt niet uit te laten.
Des avonds wachtte men VAN DER HOOGEN, die meest alle zondagavonden by de familie doorbracht. Mijnheer, die de hoop gekoesterd had nu eens een partijtjen te zullen kunnen omberen, was knorrig dat de derde man uitbleef. HENRIETTE, die ongetwijfeld het meest verwonderd was dat hy niet verscheen, hield zich groot, en merkte aan, dat hy misschien eene andere uitnoodiging had, en dat zy 't ook heel goed vond, dat hy er geen gewoonte van maakte om nu ook alle zondagen te komen."
Wy brachten den avond door met platen en teekeningen te zien, waarvan de heer KEGGE een mooie verzameling had, die echter zonder smaak of oordeel gerangschikt was, en zeer zeker veel te duur betaald.
Tegen tien uren verscheen er een violetkleurig briefjen. HENRIETTE werd rood, en hield zich overtuigd dat hier misverstand heerschte, toen de knecht het aan haar vader overhandigde; en toen deze het openbrak, zag zy hem strak naar de oogen. Toen de heer KEGGE het gelezen had, nam hy er zeer beleefd zijn mutsjen voor af:
"Ik ben een lijk" verklaarde hy, "als ik er iets van vat! En toen vervolgde hy met eene zekere plechtigheid: "Mevrouw KEGGE, geboren MARRISON, mejuffrouw KEGGE, en mijnheer HILDEBRAND; hoort, bid ik u, eens aan, wat dit geschrift behelst:
WelEdelgeboren Heer!
Dat is primo een leugen!